Strafrecht overig
Overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens art. 16 Besluit bodemkwaliteit. Verdachte heeft een…
Hoge Raad, 13 februari 2018
ECLI:NL:HR:2018:188 · Hoge Raad · 13 februari 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2018-188
Zaakgegevens
Op 13 februari 2018 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 13 februari 2018
- Datum publicatie
- 13 februari 2018
- Zaaknummer
- 16/03317
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2018:188
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens art. 16 Besluit bodemkwaliteit. Verdachte heeft een analyseresultaat van een indicatieve partijkeuring van grond aan de gemeente Son en Breugel ter beschikking gesteld, terwijl zij redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat dit resultaat geen betrouwbaar beeld verschafte van de eigenschappen, aard, hoedanigheid of samenstelling van de grond. Falende bewijsklachten en klacht over toepassing van het onjuiste besluit. HR: art. 81.1 RO.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 31 oktober 2017
ECLI:NL:PHR:2017:1522Hoge Raad · 13 februari 2018deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2018:188
Uitspraak
13 februari 2018
Strafkamer
nr. S 16/03317
EGI/SG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 10 december 2015, nummer 20/003528-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , gevestigd te [vestigingsplaats].
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.F.M. Wasser, advocaat te Eindhoven, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van het vierde middel
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde geldboete van € 2.200,-.
3 Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4 Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5 Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete;
vermindert de geldboete in die zin dat deze € 1.980,- bedraagt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier A. El Mokhtari, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 februari 2018.