Strafrecht overig

Economische zaak. Taxivervoer zonder taxameter te gebruiken. Ondervragingsrecht ex art. 6 EVRM. Levert het…

Hoge Raad, 6 november 2018

Zaakgegevens

Op 6 november 2018 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
6 november 2018
Datum publicatie
5 november 2018
Zaaknummer
17/01564
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2018:2049
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Economische zaak. Taxivervoer zonder taxameter te gebruiken. Ondervragingsrecht ex art. 6 EVRM. Levert het gebruik voor het bewijs van p-v van verbalisant, die in h.b. vier jaar na het tlgd. feit als getuige is gehoord en zich toen het voorval slechts in grote lijnen kon herinneren, strijd met art. 6 EVRM op? HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 15 maart 2017

    ECLI:NL:GHAMS:2017:1144
  2. Conclusie A-G · 18 september 2018

    ECLI:NL:PHR:2018:1240
  3. Hoge Raad · 6 november 2018deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2018:2049

Uitspraak

6 november 2018

Strafkamer

nr. S 17/01564 E

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam, Economische Kamer, van 15 maart 2017, nummer 23/002232-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft T.E. Korff, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 november 2018.