Strafrecht overig

Opzettelijk gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld reisdocument, art. 231.2 Sr. Te extensieve uitleg…

Hoge Raad, 6 november 2018

Zaakgegevens

Op 6 november 2018 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
6 november 2018
Datum publicatie
6 november 2018
Zaaknummer
16/03888
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2018:2052
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Opzettelijk gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld reisdocument, art. 231.2 Sr. Te extensieve uitleg bestanddeel “gebruik maken” door onder “overhandigen” tevens het “tonen” te verstaan? HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 22 juli 2016

    ECLI:NL:GHSHE:2016:3960
  2. Conclusie A-G · 18 september 2018

    ECLI:NL:PHR:2018:992
  3. Hoge Raad · 6 november 2018deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2018:2052

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

6 november 2018

Strafkamer

nr. S 16/03888

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 22 juli 2016, nummer 20/003145-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Procureur-Generaal J. Silvis heeft geconcludeerd tot vermindering van de opgelegde straf wegens schending van de redelijke termijn in de mate die de Hoge Raad gepast acht en voorts tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.2.

Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Gelet op de aan de verdachte opgelegde taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, waarvan 60 uren voorwaardelijk, subsidiair 30 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 november 2018.