Strafrecht overig

Hennepteelt in woning verdachte (art. 3.B Opiumwet) en diefstal d.m.v. verbreking van elektriciteit t.b.v…

Hoge Raad, 18 december 2018

Zaakgegevens

Op 18 december 2018 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18 december 2018
Datum publicatie
18 december 2018
Zaaknummer
17/02629
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2018:2340
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Hennepteelt in woning verdachte (art. 3.B Opiumwet) en diefstal d.m.v. verbreking van elektriciteit t.b.v. hennepkwekerij (art. 311.1.5 Sr). Klacht dat uit ’s Hofs bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat verdachte zelf uitvoeringshandelingen heeft verricht m.b.t. telen hennep en wegnemen elektriciteit. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 17/02632 P.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 6 november 2018

    ECLI:NL:PHR:2018:1398
  2. Hoge Raad · 18 december 2018deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2018:2340

Uitspraak

18 december 2018

Strafkamer

nr. S 17/02629

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 26 april 2017, nummer 21/003449-16, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 december 2018.