Strafrecht overig

Medeplegen opzettelijk aanwezig hebben 27 gram amfetamine in woning waar verdachte op bezoek was voor…

Hoge Raad, 22 januari 2019

Zaakgegevens

Op 22 januari 2019 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22 januari 2019
Datum publicatie
3 januari 2019
Zaaknummer
17/02013
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2019:10
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplegen opzettelijk aanwezig hebben 27 gram amfetamine in woning waar verdachte op bezoek was voor “feestje” met drugsgebruik, art. 2.C Opiumwet. Bewijsklacht “aanwezig hebben”. Bevond amfetamine zich in machtssfeer verdachte? HR: art. 81.1 RO. CAG: Verdachte is naar de woning van A gegaan voor een “feestje” waarvoor de vrouw “alles” in huis had en heeft haar € 100 betaald als onkostenvergoeding voor de drugs die hij zou gebruiken. Daaruit blijkt dat verdachte naar haar is toegegaan om samen verdovende middelen te gebruiken. Het zakje amfetamine bevond zich betrekkelijk open en bloot in dezelfde ruimte waar verdachte en A die nacht drugs hebben gebruikt. Dat de in die ruimte aanwezige drugs zich in de machtssfeer van verdachte bevonden, heeft het hof kunnen afleiden uit zijn verklaring dat hij “alle drugs” mocht gebruiken die hij maar wilde.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 27 november 2018

    ECLI:NL:PHR:2018:1308
  2. Hoge Raad · 22 januari 2019deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2019:10

Uitspraak

22 januari 2019

Strafkamer

nr. S 17/02013

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 7 februari 2017, nummer 21/003759-16, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.G.T. Stapelbroek-Klooken, advocaat te Arnhem, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 januari 2019.