Strafrecht overig
Deelname aan 2 verschillende criminele organisaties, die veelvuldig documenten vervalsen, zorgkantoren en…
Hoge Raad, 2 juli 2019
ECLI:NL:HR:2019:1077 · Hoge Raad · 2 juli 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2019-1077
Zaakgegevens
Op 2 juli 2019 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 2 juli 2019
- Datum publicatie
- 2 juli 2019
- Zaaknummer
- 17/04455
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2019:1077
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Deelname aan 2 verschillende criminele organisaties, die veelvuldig documenten vervalsen, zorgkantoren en zorgverzekeraars oplichten en aanzienlijke bedragen witwassen ten gevolge waarvan misbruik is gemaakt van PGB-systeem en systeem waarbij zorg in natura wordt verleend (art. 140 Sr) en medeplegen valsheid in geschrift (art. 225.1 Sr). 1. Bewijsklacht deelneming criminele organisatie. 2. Bewijsklacht wetenschap dat organisatie plegen van misdrijven tot oogmerk had. 3. Bewijsuitsluiting computerbestanden nu onderzoek op computers in strijd is geweest met art. 8 EVRM? 4. Bewijsklacht oogmerk van organisatie gericht op plegen van witwassen. 5. Voortgezette handeling? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 17/04551 (art. 81.1 RO), 17/04591 (niet gepubliceerd, art. 80a RO), 18/04281 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte n-o), 18/04283 (niet gepubliceerd; art. 80a RO), 18/04284 (art. 81.1 RO) en 18/04285 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte n-o).
Procesgang
Gerechtshof Den Haag · 15 september 2017
ECLI:NL:GHDHA:2017:2649Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 21 mei 2019
ECLI:NL:PHR:2019:729Hoge Raad · 2 juli 2019deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2019:1077
Meerdere afhandelingswijzen
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 17/04455
Datum 2 juli 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 15 september 2017, nummer 22/005606-14, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch alleen wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste middel, het tweede middel, het derde middel, het vierde middel en het vijfde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3 Beoordeling van het zesde middel
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van 34 maanden.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 32 maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juli 2019.