Strafrecht overig

(Poging tot) diefstal van speelgoed uit speelgoedwinkel in Amsterdam (art. 310 Sr). Gebruik voor bewijs van…

Hoge Raad, 8 oktober 2019

Zaakgegevens

Op 8 oktober 2019 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
8 oktober 2019
Datum publicatie
4 oktober 2019
Zaaknummer
17/05651
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2019:1542
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

(Poging tot) diefstal van speelgoed uit speelgoedwinkel in Amsterdam (art. 310 Sr). Gebruik voor bewijs van bij politie afgelegde verklaring van verdachte, terwijl bij haar verhoor niet beëdigde tolk is ingeschakeld. HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 24 november 2017

    ECLI:NL:GHAMS:2017:4894
  2. Conclusie A-G · 27 augustus 2019

    ECLI:NL:PHR:2019:834
  3. Hoge Raad · 8 oktober 2019deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2019:1542

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 17/05651

Datum 8 oktober 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 24 november 2017, nummer 23/004437-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.A.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 oktober 2019.