Strafrecht overig

Voorhanden hebben van creditcardmes op luchthaven in Eindhoven, art. 13.1 WWM. Kan creditcardmes worden…

Hoge Raad, 16 april 2019

Zaakgegevens

Op 16 april 2019 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16 april 2019
Datum publicatie
25 maart 2019
Zaaknummer
18/03822
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2019:428
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Voorhanden hebben van creditcardmes op luchthaven in Eindhoven, art. 13.1 WWM. Kan creditcardmes worden aangemerkt als blank wapen dat uiterlijk gelijkt op ander voorwerp dan wapen a.b.i. art. 2.1.4 WWM? HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 9 mei 2018

    ECLI:NL:GHSHE:2018:2025
  2. Conclusie A-G · 5 maart 2019

    ECLI:NL:PHR:2019:400
  3. Hoge Raad · 16 april 2019deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2019:428

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

16 april 2019

Strafkamer

nr. S 18/03822

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 9 mei 2018, nummer 20/001211-17, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W.F. Roelink, advocaat te Hoofddorp, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 april 2019.