Strafrecht overig

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Middelen over bewijsminimum (unus testis, art. 342.2 Sv) en over…

Hoge Raad, 9 april 2019

Zaakgegevens

Op 9 april 2019 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
9 april 2019
Datum publicatie
8 april 2019
Zaaknummer
17/01571
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2019:552
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Middelen over bewijsminimum (unus testis, art. 342.2 Sv) en over toepassing taakstrafverbod ex. art. 22b Sr. HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 19 februari 2019

    ECLI:NL:PHR:2019:354
  2. Hoge Raad · 9 april 2019deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2019:552

Uitspraak

9 april 2019

Strafkamer

nr. S 17/01571

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 maart 2017, nummer 20/003014-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het eerste en het tweede middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het derde middel

3.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.2.

Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Aangezien de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren zich naar zijn aard niet voor vermindering leent, zal de Hoge Raad volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 april 2019.