Strafrecht overig

Oplichting (art. 326.1 Sr) en huisvredebreuk (art. 138.1 Sr). Afwijzing van verzoeken tot horen van drie…

Hoge Raad, 21 mei 2019

Zaakgegevens

Op 21 mei 2019 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21 mei 2019
Datum publicatie
20 mei 2019
Zaaknummer
17/04740
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2019:768
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Oplichting (art. 326.1 Sr) en huisvredebreuk (art. 138.1 Sr). Afwijzing van verzoeken tot horen van drie getuigen (onder wie aangevers) en gebruik van hun verklaringen voor bewijs. HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 26 maart 2019

    ECLI:NL:PHR:2019:279
  2. Hoge Raad · 21 mei 2019deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2019:768

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 17/04740

Datum 21 mei 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 2 oktober 2017, nummer 21/005790-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

hierna: verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G. Meijers, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

Namens de verdachte heeft M. Berendsen, advocaat te Amsterdam, daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 mei 2019.