Strafrecht overig

Medeplegen witwassen en poging tot witwassen van geldbedragen, opzettelijk gebruik maken van een vals…

Hoge Raad, 18 juni 2019

Zaakgegevens

Op 18 juni 2019 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18 juni 2019
Datum publicatie
18 juni 2019
Zaaknummer
17/04859
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2019:991
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplegen witwassen en poging tot witwassen van geldbedragen, opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift (factuur), handelen i.s.m. art. 26.1 WWM. 1. Wetenschap dat geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf volgt niet uit b.m., 2. Opzettelijk gebruik maken van een valse factuur volgt niet uit b.m., 3. Niet beslissen op herhaald getuigenverzoek. HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 23 april 2019

    ECLI:NL:PHR:2019:653
  2. Hoge Raad · 18 juni 2019deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2019:991

Uitspraak

18 juni 2019

Strafkamer

nr. S 17/04859

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 6 oktober 2017, nummer 20/001797-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering van deze duur in de mate die de Hoge Raad gepast voorkomt en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het vierde middel

3.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.2.

Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van zes maanden.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf vermindert deze in die zin dat deze vijf maanden en drie weken beloopt;


verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juni 2019.