Strafrecht overig

Economische zaak. Wet Dieren. Middelen over de kwalificaties van het kort gezegd overtreden van bepalingen in…

Hoge Raad, 16 juni 2020

Zaakgegevens

Op 16 juni 2020 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16 juni 2020
Datum publicatie
5 juni 2020
Zaaknummer
19/03045
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2020:1024
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Economische zaak. Wet Dieren. Middelen over de kwalificaties van het kort gezegd overtreden van bepalingen in art. 2.2 Wet Dieren als economisch delict en het (voorwaardelijk) opzet op het onvolledig bijhouden van een register, art. 2.2 lid 10 onder I Wet Dieren jo. art. 2.10 Besluit houders van dieren. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 19/03041 en 19/03042.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 21 april 2020

    ECLI:NL:PHR:2020:404
  2. Hoge Raad · 16 juni 2020deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2020:1024

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/03045 E

Datum 16 juni 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam, economische kamer, van 24 oktober 2018, nummer 23/003637-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1939,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.S. Nan, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Bij brief van 11 november 2019 heeft de raadsman het eerste middel ingetrokken.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het tweede en het derde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 juni 2020.