Strafrecht overig

Opzetheling merkbril, art. 416.1.a Sr. 1. Bewijsklacht. Wetenschap misdadige herkomst. 2. Strafmotivering…

Hoge Raad, 16 juni 2020

Zaakgegevens

Op 16 juni 2020 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16 juni 2020
Datum publicatie
8 juni 2020
Zaaknummer
19/02893
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2020:1028
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Opzetheling merkbril, art. 416.1.a Sr. 1. Bewijsklacht. Wetenschap misdadige herkomst. 2. Strafmotivering. HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 21 april 2020

    ECLI:NL:PHR:2020:414
  2. Hoge Raad · 16 juni 2020deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2020:1028

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/02893

Datum 16 juni 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 juni 2019, nummer 20-000479-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S. Ben Tarraf, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 juni 2020.