Strafrecht overig

Openlijke geweldpleging, art. 141 Sr. Middelen m.b.t. 1. schending redelijke termijn bij betekening…

Hoge Raad, 22 september 2020

Zaakgegevens

Op 22 september 2020 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22 september 2020
Datum publicatie
21 september 2020
Zaaknummer
19/01612
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2020:1460
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Openlijke geweldpleging, art. 141 Sr. Middelen m.b.t. 1. schending redelijke termijn bij betekening verstekmededeling ex art. 366 Sv en 2. ontbreken Poolse vertaling van de verstekmededeling. HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 23 juni 2020

    ECLI:NL:PHR:2020:832
  2. Hoge Raad · 22 september 2020deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2020:1460

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/01612

Datum 22 september 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 21 maart 2005, nummer 23/003645-04, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 september 2020.