Strafrecht overig

Feitelijk leiding geven aan opzettelijk (namens BV) onjuiste aangiften omzetbelasting (art. 69 AWR) doen en…

Hoge Raad, 6 oktober 2020

Zaakgegevens

Op 6 oktober 2020 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
6 oktober 2020
Datum publicatie
23 september 2020
Zaaknummer
19/01128
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2020:1505
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Feitelijk leiding geven aan opzettelijk (namens BV) onjuiste aangiften omzetbelasting (art. 69 AWR) doen en feitelijk leiding geven aan valsheid in geschrift (art. 225 Sr), het valselijk laten opmaken, gebruiken en doen gebruiken, van authentieke notariële akten (art. 227 Sr, meermalen gepleegd), valsheid in geschrift en het gebruik maken van valse geschriften (art. 225 Sr, meermalen gepleegd).

Middelen over 1. het ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, (geheel) ontvankelijk achten van het OM in de strafvervolging aangezien het recht tot strafvervolging door verjaring geheel of gedeeltelijk was komen te vervallen en 2. het onterecht verwerpen van het door de verdediging gedane beroep op de samenloopbepalingen (art. 55 en 56 Sr) en het hof aldus ten onrechte zowel de strafbepalingen inzake valsheid als die inzake het gebruikmaken van de voorwerpen ten opzichte waarvan de valsheid was gepleegd, heeft toegepast. HR: art. 81.1. RO. Samenhang met 18/01534.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 20 februari 2019

    ECLI:NL:GHAMS:2019:607
  2. Conclusie A-G · 19 mei 2020

    ECLI:NL:PHR:2020:489
  3. Hoge Raad · 6 oktober 2020deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2020:1505

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/01128

Datum 6 oktober 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 februari 2019, nummer 23-001059-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Th.J. Kelder, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren E.F. Faase en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 oktober 2020.