Strafrecht overig

Beklag, beslag ex art. 94 Sv op 4 onder klaagster inbeslaggenomen bouwmachines. Rb. heeft klacht tegen…

Zaakgegevens

Op 24 november 2020 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24 november 2020
Datum publicatie
20 november 2020
Zaaknummer
19/03783
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2020:1863
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Beklag, beslag ex art. 94 Sv op 4 onder klaagster inbeslaggenomen bouwmachines. Rb. heeft klacht tegen voorgenomen teruggave ex art. 116.3 Sv aan anderen dan klaagster ongegrond verklaard. 1. Had rb. ex art. 94 Sv moeten beoordelen?; 2. Welke eisen moeten i.v.m. art. 116.3 Sv worden gesteld aan de vraag wie redelijkerwijs rechthebbende is?; en 3. Is oordeel rb. dat “klaagster onvoldoende onderzoek heeft verricht en dat daarom niet vastgesteld kan worden dat zij de bouwvoertuigen te goeder trouw heeft verkregen” onbegrijpelijk? HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 6 oktober 2020

    ECLI:NL:PHR:2020:1119
  2. Hoge Raad · 24 november 2020deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2020:1863

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/03783 B

Datum 24 november 2020

BESCHIKKING

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 27 mei 2019, nummer RK 18/007086, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend

door

[klaagster],

hierna: de klaagster.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 november 2020.