Strafrecht overig

Beklag, beslag ex art. 94a Sv op twee auto’s onder ander, die nadien is overleden. Beëindiging beslag als…

Zaakgegevens

Op 22 februari 2022 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22 februari 2022
Datum publicatie
17 februari 2022
Zaaknummer
20/03458
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:279
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Beklag, beslag ex art. 94a Sv op twee auto’s onder ander, die nadien is overleden. Beëindiging beslag als voorwerp aan Staat is vervallen. Auto’s zijn door OM verkocht, waarna waarde van auto’s na vrijgeven van beslag o.g.v. vordering ex art. 19 Invorderingswet 1990 aan belastingdienst is uitbetaald vanwege beslag dat belastingdienst had gelegd i.v.m. openstaande vordering van beslagene. Rb heeft geoordeeld dat klagers geen belang meer hebben bij ingediend beklag. 1. Cassatieberoep klager. Geen schriftuur. 2. Cassatieberoep klaagster. Kon Rb oordelen dat strafvorderlijk beslag op verkoopopbrengst van auto’s is geëindigd, nu het door OM overmaken van die opbrengst naar belastingdienst niet één van de situaties a.b.i. art. 134.2 Sv behelst?

Ad 1. Geen middelen ingediend, klager n-o.

Ad 2. HR: Op redenen vermeld in CAG heeft klaagster geen belang bij cassatieberoep. CAG: Ex art. 19.3 Invorderingswet 1990 is houder van penningen verplicht om op vordering van ontvanger uit gelden die hij aan belastingschuldige verschuldigd is of uit gelden of penningen die hij t.b.v. belastingschuldige onder zich heeft, belastingaanslagen van belastingschuldige te betalen. Het voorwerp (geld) dient niet te worden “teruggegeven” maar door houder overgedragen te worden aan ontvanger. Het voldoen aan deze verplichting en daarmee het vervallen van voorwerp aan Staat, doorkruist strafvorderlijke teruggaveregeling. Niet enkel strafvorderlijke teruggaveregeling wordt daarmee doorkruist maar ook de met die teruggaveregeling verband houdende regeling van beëindiging van beslag. Aan de in art. 134.2 Sv genoemde gevallen van teruggave kan door het voldoen aan verplichting van art. 19 Invorderingswet immers niet langer worden voldaan. Tegen deze achtergrond geeft oordeel Rb dat de op de auto’s rustende beslagen zijn geëindigd niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Klagers n-o.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 11 januari 2022

    ECLI:NL:PHR:2022:10
  2. Hoge Raad · 22 februari 2022deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2022:279

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/03458 B

Datum 22 februari 2022

BESCHIKKING

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 21 februari 2017, nummers RK 13/1422 en RK 13/1426, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend

door

[klager] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

hierna: de klager

en

[klaagster] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

hierna: de klaagster.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klagers. Cassatiemiddelen zijn namens de klager niet voorgesteld.

Namens de klaagster heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de klaagster en de klager in hun cassatieberoepen.

2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep dat is ingesteld door de klager

De wet bepaalt binnen welke termijn een advocaat namens de klager een schriftuur met cassatiemiddelen (klachten) bij de Hoge Raad moet indienen. Aan die verplichting is niet voldaan. Het gevolg daarvan is dat de Hoge Raad het beroep van de klager niet in behandeling kan nemen (zie artikel 447 lid 5 van het Wetboek van Strafvordering).

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep dat is ingesteld door de klaagster

De klaagster heeft geen belang bij het cassatieberoep, zodat zij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4.7 tot en met 4.11.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep van de klagers niet-ontvankelijk.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 februari 2022.