Strafrecht overig

Economische zaak. Overtreding van art. 47 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (WVGS), begaan door een…

Hoge Raad, 11 februari 2020

Zaakgegevens

Op 11 februari 2020 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11 februari 2020
Datum publicatie
7 februari 2020
Zaaknummer
18/05018
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2020:216
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Economische zaak. Overtreding van art. 47 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (WVGS), begaan door een rechtspersoon. Tijdens lossen vanuit tankwagen van verdachte (transportbedrijf) op terrein van ander bedrijf ontstaat lek in wand tankwagen waardoor ruim 14.000 kilo zoutzuur weglekt. 1. Bestond een meldplicht ex art. 47 WVGS? 2. Rustte die plicht op verdachte? 3. Kan het bewezenverklaarde, gelet op wijziging van art. 47 WVGS per 1 april 2015, worden gekwalificeerd als overtreding van voorschrift gesteld bij art. 47 WVGS? HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 17 december 2019

    ECLI:NL:PHR:2019:1355
  2. Hoge Raad · 11 februari 2020deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2020:216

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/05018 E

Datum 11 februari 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag, economische kamer, van 28 september 2018, nummer 22/001291-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

gevestigd te [plaats],

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft H.H. van Steijn, advocaat te 's-Hertogenbosch, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 februari 2020.