Rechtbank Limburg, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBLIM:2026:7350

Op 21 July 2026 heeft de Rechtbank Limburg een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 03.340194.23, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBLIM:2026:7350. De plaats van zitting was Maastricht.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
03.340194.23
Datum uitspraak:
21 July 2026
Datum publicatie:
21 July 2026

Indicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en een geldboete van 30.000,- euro voor medeplegen van voorbereiden/bevorderden van MDMA en/of amfetamine productie door stoffen die daartoe bestemd zijn voorhanden te hebben

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03.340194.23

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 21 juli 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1984,

wonende te [adres] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. C.C. Haanappel, advocaat kantoorhoudende te Venlo.

1
Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 juli 2026. De verdachte en haar raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de strafzaak tegen medeverdachte [naam medeverdachte] met het parketnummer 03.340196.23.

2
De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

op 23 december 2023 in Roermond tezamen en in vereniging de productie van MDMA en/of amfetamine heeft voorbereid/bevorderd door stoffen die daartoe bestemd zijn voorhanden te hebben.

Overwegingen

3
De beoordeling van het bewijs
3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het feit wettig en overtuigend bewezen. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte en haar medeverdachte de rol van uitvoerder bekleden en de (pre-)precursoren opgeslagen hebben met als doel grootschalige harddrugproductie.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken dient te worden, omdat niet vastgesteld kan worden dat zij wetenschap of reden tot ernstig vermoeden had wat de inhoud van de dozen was. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat zelfs als de verdachte heeft gezien dat sommige dozen het opschrift ‘PMK’ hadden, zij niet wist wat dat betekende.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen  (Voetnoot 1)

Het proces-verbaal van bevindingen van 23 december 2023 vermeldt:  (Voetnoot 2)

Op zaterdag 23 december 2023, omstreeks 16.05 uur, zijn wij, verbalisanten [naam verbalisant 1] ,

[naam verbalisant 2] , [naam verbalisant 3] en [naam verbalisant 4] , aangestuurd naar de [adres] om

op onderzoek uit de gaan wat er zich op dat moment afspeelde. Omstreeks 16.15 uur, waren wij ter plaatse en zagen wij een grijs busje met kenteken [nummer kenteken] op de oprit. Ik, [naam verbalisant 1] , liep in de richting van de voordeur. Ik, [naam verbalisant 1] , zag een manspersoon een grote doos in het busje laden. Ik zag dat deze man geholpen werd door verschillende kinderen. Ik, [naam verbalisant 1] , vroeg naar de bewoner van het pand. Ik, [naam verbalisant 1] , zag dat er een vrouw naar de voordeur liep. Ik, [naam verbalisant 1] , hoorde deze vrouw zeggen dat zij de eigenaar was van de woning. Ik hoorde de vrouw zeggen dat zij dit pand net had gekocht en aan het verhuizen waren. Ik, [naam verbalisant 1] , zag dat de collega's, [naam verbalisant 4] , [naam verbalisant 2] en [naam verbalisant 3] ook waren aangesloten. Ik, verbalisant [naam verbalisant 3] , stond buiten de woning samen collega, [naam verbalisant 4] . Ik zag dat er een grijze bestelbus op de oprit stond. Ik zag dat de achterdeuren van de bestelbus openstonden. Ik zag dat er in de bestelbus een hoop dozen opgestapeld stonden. Ik zag dat de dozen bruin van kleur waren. Ik schat dat er ongeveer 50 dozen in de bestelbus stonden. Wij, [naam verbalisant 2] en [naam verbalisant 1] , zijn het gesprek aangegaan met de eigenaar van de woning. Ik, [naam verbalisant 1] , vroeg aan de vrouw of wij even naar binnen mochten komen om uit te leggen wat wij kwamen doen. Ik hoorde de vrouw zeggen dat wij naar binnen mochten komen. Ik, [naam verbalisant 1] , deelde de vrouw mede dat wij het vermoeden hadden dat er in dit pand een hennepplantage zou zitten. Ik, [naam verbalisant 1] , zag dat de vrouw geschokt reageerde en zei dat er geen hennepplantage zou zijn. Ik, [naam verbalisant 1] , hoorde de vrouw zeggen dat wij in het pand mochten kijken. Ik hoorde de vrouw zeggen dat zij deze woning had gekocht en nog aan het verhuizen waren. Wij, verbalisanten, [naam verbalisant 2] en [naam verbalisant 1] , zagen dat er in de woning vier kinderen waren van de leeftijd van 19, 15, 13 en 7 jaar oud.

Wij, verbalisanten, [naam verbalisant 2] en [naam verbalisant 1] , stonden op dat moment in de woonkamer. Wij

zagen verschillende dozen liggen. Ik, [naam verbalisant 2] , vroeg aan de vrouw wat deze dozen

waren. Wij, verbalisanten, [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] , hoorde de vrouw zeggen dat dit de

verhuisdozen waren. Wij, verbalisanten, [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] , zagen dat de dozen waar

de vrouw naar refereerde als verhuisdozen, bestonden uit meerdere kartonnen dozen van ongeveer 70 centimeter lang, 40 centimeter breed en 15 centimeter hoog. Wij zagen dat

deze dozen met doorzichtige tape dichtgeplakt waren. Wij zagen dat het ongeveer

vijftien dozen betroffen en alle vijftien ongeveer dezelfde afmetingen hadden. Wij

zagen dat er op elke doos de letters "PMK" geschreven stond. Ik, [naam verbalisant 2] ,

confronteerde de vrouw ermee dat de dozen die zij aangaf te zijn, verhuisdozen, niet

leken op verhuisdozen. Ik, [naam verbalisant 2] , vroeg of de vrouw een doos voor ons wilde

openmaken. Ik, [naam verbalisant 2] hoorde de vrouw zeggen dat dit wel kon. Ik, [naam verbalisant 2] , zag dat de

vrouw een klein mesje pakte en een klein hoekje van een doos opensneed. Ik, [naam verbalisant 2] ,

kon op deze manier, op geen enkele mogelijkheid de inhoud van de doos zien. Ik,

[naam verbalisant 2] , heb het hoekje van de doos verder opengemaakt zodat ik zicht had op de

inhoud van de doos. Wij, [naam verbalisant 2] en [naam verbalisant 1] , zagen dat er in de doos een grijze

verpakking zat. Wij zagen dat de vrouw met het mesje ook deze grijze verpakking

openmaakte. Wij zagen dat er in de grijze verpakking een witte substantie zat. Ik,

[naam verbalisant 1] , voelde aan deze witte substantie en voelde dat het een harde substantie

betrof. Ik, [naam verbalisant 1] , vroeg aan de vrouw wat de substantie betrof. Ik hoorde de vrouw zeggen

dat ze het niet wist. Ik, [naam verbalisant 1] , deelde de vrouw mede dat ik dat raar vond

aangezien dit haar verhuisdozen waren. Ik hoorde de vrouw zeggen dat de dozen van een

vriend waren en dat ze die daar even neer moest zetten. Ik, [naam verbalisant 1] , vroeg aan de vrouw

welke vriend dit zou zijn dan. Ik hoorde de vrouw zeggen dat dit niks uitmaakte.

Ik, [naam verbalisant 2] , deelde aan iedereen mede die aanwezig waren in de woning dat zij

aangemerkt werden als verdachte en niet meer tot antwoorden verplicht waren. Ik,

[naam verbalisant 2] , deelde de vrouw mede dat zij verdacht werd van het voorhanden hebben van

vermoedelijk synthetische drugs. In overleg met onze operationeel coördinator

werd de vrouw, de nu te noemen verdachte, [verdachte] , en de man, de nu te noemen verdachte, [naam medeverdachte] , aangehouden.

Het proces-verbaal van bevindingen van 23 december 2023 vermeldt: (Voetnoot 3)

Op zaterdag 23 december 2023, omstreeks 16.10 uur, hoorden wij portofonisch, dat de

eenheden van het gebied 1500 (Basisteam Roermond), in de richting van de [adres]

in Roermond reden. Dit in verband met een

drugsonderzoek. Vervolgens reden wij door naar het adres waar de andere eenheden heen

gingen. Vervolgens liepen wij met hen mee naar de woning. Wij zagen op de oprit een

grote bestelauto staan met de achterdeuren open. Wij zagen dat in het voertuig

meerdere dozen stonden met daarop de afdruk "PMK".

Het proces-verbaal van bevindingen van 24 december 2023 vermeldt: (Voetnoot 4)

Op zaterdag 23 december 2023, omstreeks 16:45 uur werd ik door J. Geraedts, inspecteur van politie en werkzaam bij basisteam Roermond Eenheid Limburg, geïnformeerd dat in een busje en een nabijgelegen woning een grote partij kartonnen dozen waren aangetroffen. Locatie woning betrof de [adres] en het voertuig was van het merk “Iveco” met Nederlands kenteken “ [nummer kenteken] ”. Het vermoeden bestond dat deze dozen pre-precursoren bevatte welke kunnen worden gebruikt voor de vervaardiging van synthetische drugs. In overleg met de melder heb ik deze partij laten afvoeren door Service en ondersteuning Nederland (SEON) naar een justitiële opslagplaats ten behoeve van nader onderzoek op een later tijdstip.Op zondag 24 december 2023 werden de inhoud van de dozen nader onderzocht in de justitiële opslagplaats.

Er werden in totaal 116 kartonnen dozen aangetroffen waarvan:

- 55 dozen met daarin een vezelversterkte zak en/of een zilverkleurige zak met daarin

een dubbele plastic zak met wit poeder. FD-ethylester van PMK-glycidezuur. Acht

willekeurige poeders bemonsterd: Rl-A, Rl-B, Rl-C, RI D. Rl-J, Rl-L, Rl-M en RI-N, Totaal 1375 kilogram.

SIN bij LFO-code:

AAQX8545NL: Rl-A

AAQX9147NL: Rl-B

AAQX9148NL: Rl-C

AAQX9149NL: R1 -D

AAQX9241NL: Rl-J

AAQX9243NL: Rl-L

AAQX9244NL: Rl-M

AAQX9245NL: Rl-N

- 61 dozen met daarin een vezelversterkte zak en/of een zilverkleurige zak met daarin een dubbele plastic zak met wit poeder. FD-BMK-glycidezuur. Acht willekeurige poeders werden bemonsterd: Rl-E, R1-F, Rl-G, Rl-H, Rl-I, Rl-K, Rl-O en Rl-P. Totaal 1525 kilogram.

SIN bij LFO-code:

AAQX9150NL: Rl-E

AAQX9151NL: Rl-F

AAQX9152NL: R1 -G

AAQX9I53NL: Rl-H

AAQX9154NL: R1 -I

AAQX9242NL: Rl-K

AAQX9246NL: Rl-O

AAQX9247NL: Rl-P

Het rapport van het Douane Laboratorium vermeldt: (Voetnoot 5)

Het materiaal van alle ondervermelde SIN-nummers werd onderzocht met behulp van minstens twee van de onderstaande technieken:

A. Ramanspectroscopie (RAMAN-ORG2, Q’)

B. Fourier transform infraroodspectroscopie (IRALG, Q’)

De resultaten van het onderzoek zijn als volgt samengevat:

SIN-Nummer en bevonden stof:

AAQX8545NL PMK-glycidezuur

AAQX9147NL PMK-glycidezuur

AAQX9148NL PMK-glycidezuur

AAQX9149NL PMK-glycidezuur

AAQX9241NL PMK-glycidezuur

AAQX9243NL PMK-glycidezuur

AAQX9244NL PMK-glycidezuur

AAQX9245NL PMK-glycidezuur

AAQX9150NL BMK-glycidezuur

AAQX9151NL BMK-glycidezuur

AAQX9152NL BMK-glycidezuur

AAQX9I53NL BMK-glycidezuur

AAQX9154NL BMK-glycidezuur

AAQX9242NL BMK-glycidezuur

AAQX9246NL BMK-glycidezuur

AAQX9247NL BMK-glycidezuur

Bewijsoverweging

Op 23 december 2023 is de verdachte op heterdaad betrapt toen zij, met hulp van haar kinderen en medeverdachte, dozen van de woning gelegen op de [adres] in een Iveco bestelbus laadde. Een deel van de dozen bevond zich nog in de woning, die eigendom is van de verdachte, en een deel werd aangetroffen in de bus. De inhoud van de dozen bleek PMK-glycidezuur en BMK-glycidezuur te zijn. Dit zijn grondstoffen voor de productie van MDMA en amfetamine.

Er is sprake van ‘voorhanden hebben’ zoals bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet als verdachte de wetenschap -van de inhoud van de pakketten en waarvoor die bestemd was- en de beschikkingsmacht over de aangetroffen stoffen had. Wat de beschikkingsmacht betreft is dit zonder meer het geval. De verdachte werd immers bij de pakketten aangetroffen, die zij met de medeverdachte aan het verplaatsen was.

Dan de vraag of de verdachte wetenschap had van de inhoud van die pakketten en de bestemming daarvan. Vooropgesteld zij dat de eigenaar van een woning wordt geacht te weten wat in zijn/haar woning en op zijn/haar perceel aanwezig is. Dit geldt aldus ook voor de verdachte. Het was haar woning alwaar de pakketten werden aangetroffen en het deel van de pakketten dat in de bus werd aangetroffen was afkomstig uit haar woning. Daarmee staat in beginsel vast dat de verdachte als eigenaar van de woning wist wat de inhoud van die pakketten was en wat de bestemming van die inhoud was. Dat is slechts anders indien sprake is van bijzondere omstandigheden, op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het opzet op de aanwezigheid van de verboden stoffen, ook in voorwaardelijke zin, ontbreekt.

Kritisch dient in dit verband dan ook te worden gekeken naar de verklaringen van de verdachte. Kan hetgeen zij te berde heeft gebracht de rechtbank van voornoemd uitgangspunt doen afwijken?

Het valt de rechtbank op dat de verdachte tegenstrijdig heeft verklaard over hetgeen in haar woning werd aangetroffen. Zo verklaarde zij aanvankelijk dat het om verhuisdozen ging met verhuisspullen erin, later verklaarde ze dat het dozen waren van een vriend van haar waarbij zij niet wist wat er in de dozen zat. Aan de verdachte werd meermaals gevraagd wie de eigenaar van de dozen was. Daarover bleef zij stil tot zij ineens ter terechtzitting met de naam [naam] kwam; een vriend van haar die de eigenaar van de dozen zou zijn. Nog daargelaten het feit dat de verdachte de naam pas ter terechtzitting heeft genoemd -terwijl zij in het verleden ruimschoots daartoe de kans heeft gehad- en dit de geloofwaardigheid van haar verklaring op dit punt behoorlijk aantast, is het ook nog eens zo dat zij geen enkel gegeven kon produceren waarmee de juistheid van haar verklaring geverifieerd kon worden: Geen telefoonnummer, geen adres, terwijl het hier om een vriend van haar zou gaan.

Nog een opvallende tegenstrijdigheid in de verklaring van de verdachte ter terechtzitting: zij verklaarde dat de dozen naar een opslag gebracht zouden worden terwijl zij bij de politie verklaarde dat het niet duidelijk was wat de bestemming van de dozen was. Dat zij niet wist wat in de dozen zat gelooft de rechtbank niet. Op de dozen stond prominent het opschrift ‘pmk’ vermeld. Het is, naar het oordeel van de rechtbank, een feit van algemene bekendheid dat ‘pmk’, met name in hoeveelheden zoals zich in de woning bevonden, gebruikt worden voor de productie van synthetische drugs. De rechtbank heeft hierbij gelet op de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad waaruit volgt dat in de regel een gegeven dat aan een internetbron is ontleend van algemene bekendheid is indien dat gegeven geen specialistische kennis veronderstelt en de juistheid daarvan redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar is (vgl. ECLI:NL:HR:2020:216). Dit is hier aan de orde. Daarbij komt dat de verdachte al eerder is veroordeeld voor illegale handel in precursoren.

De verdachte wordt, gelet op het voorgaande, ten volle verantwoordelijk gehouden voor hetgeen zich in haar woning bevond. Van omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, is niet gebleken.

Medeplegen

De vraag die vervolgens rijst is of de verdachte dit feit samen met een ander -te weten medeverdachte- heeft gepleegd. In het geval van medeplegen houden de voorwaarden voor aansprakelijkstelling vooral in dat sprake moet zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat van de voorraad dozen met daarin BMK en PMK, ongeveer 50 dozen zich in de bus van de medeverdachte bevonden. Dat de medeverdachte beschikkingsmacht had over de in zijn bus aangetroffen dozen staat, naar het oordeel van de rechtbank, vast. Ook zijn wetenschap staat vast nu op de dozen die in de bus lagen ‘pmk’ als opschrift stond vermeld. Nu de verdachte en de medeverdachte samen de betreffende dozen in de bus van de medeverdachte hebben geladen, is er sprake van medeplegen tussen hen voor wat betreft het deel van de stoffen dat in de bus werd aangetroffen. Uit het procesdossier volgen geen aanwijzingen dat de medeverdachte tijdens of voor de heterdaadsituatie in de woning van de verdachte is geweest. Daarom acht de rechtbank de medeverdachte enkel verantwoordelijk voor het deel dat in de bus lag.

Conclusie

Het aan de verdachte tenlastegelegde dient wettig en overtuigend bewezen te worden geacht.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

op 23 december 2023 te Roermond tezamen en in vereniging met een ander, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten:

- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren; en/of

- het opzettelijk vervaardigen

van (met)amfetamine en/of MDMA, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet

- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,

- voorwerpen, vervoermiddelen en/of stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan zij, verdachte en/of haar mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door

- 1.375 kilogram PMK-glycidezuur, zijnde een stof geschikt/benodigd voor de omzetting in piperonylmethylketon (PMK) en/of de (vervolgens) de bereiding en/of bewerking en/of verwerking en/of vervaardiging van MDMA, in elk geval van (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; en/of

- 1.525 kilogram BMK-glycidezuur, zijnde een stof geschikt/benodigd voor de omzetting in benzylmethylketon (BMK) en/of (vervolgens) de bereiding en/of bewerking en/of verwerking en/of vervaardiging van (met)amfetamine, in elk geval van (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

zijnde een stof waarvan zij, verdachte wist of ernstige reden hadden om te vermoeden dat die stoffen bestemd waren tot het plegen van dat feit, voorhanden heeft gehad

en tezamen en in vereniging met een ander:

- een (grote) hoeveelheid (ethylester van) PMK-glycidezuur, zijnde een stof geschikt/benodigd voor de omzetting in piperonylmethylketon (PMK) en/of de (vervolgens) de bereiding en/of bewerking en/of verwerking en/of vervaardiging van MDMA, in elk geval van (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; en

- een (grote) hoeveelheid BMK-glycidezuur, zijnde een stof geschikt/benodigd voor de omzetting in benzylmethylketon (BMK) en/of (vervolgens) de bereiding en/of bewerking en/of verwerking en/of vervaardiging van (met)amfetamine, in elk geval van (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

zijnde een stof waarvan zij, verdachte en haar mededader wisten of ernstige reden hadden om te vermoeden dat die stoffen bestemd waren tot het plegen van dat feit, voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4
De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

medeplegen om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5
De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6
De straf
6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden en een geldboete van 30.000,- euro.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht, bij een eventuele strafoplegging, rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn en dat de verdachte zorg draagt voor haar kinderen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een zeer grote hoeveelheid PMK en BMK, belangrijke grondstoffen voor het produceren van onder andere MDMA en amfetamine. Hiermee hadden vele miljoenen MDMA-pillen en honderden kilo’s amfetaminepasta geproduceerd kunnen worden. Het gaat om voor de gezondheid van personen schadelijke stoffen die bij wet verboden zijn. Los van de gevaren die gepaard gaan met het voorhanden hebben en bereiden van dergelijke materialen, is het algemeen bekend dat de bewerking, vervaardiging en het gebruik van deze synthetische drugs een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid vormen en kunnen leiden tot een verslaving aan het gebruik daarvan. Verslaafden plegen vaak vermogensdelicten om in hun gebruik te kunnen voorzien. De verdachte heeft met haar handelen bijgedragen aan de ondermijnende criminaliteit die gepaard gaat met de georganiseerde drugshandel. Door haar eigen belang voorop te stellen heeft verdachte geen oog gehad voor de nadelige gevolgen die haar handelen heeft voortgebracht voor de samenleving. De rechtbank kan dan ook niet volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende sanctie.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van de verdachte van 1 juni 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte nog niet eerder in Nederland is veroordeeld. De verdachte is wel in België veroordeeld voor een opiumdelict en deelneming aan een criminele organisatie. De verdachte liep in een proeftijd voor deze feiten ten tijde van het plegen van het onderhavige delict. De verdachte is een alleenstaande moeder van drie kinderen. De rechtbank neemt in strafverzwarende zin mee dat zij haar kinderen heeft ingezet bij het verplaatsen van de dozen PMK en BMK. Daar komt bij -en dit werkt ook strafverzwarend- dat de verdachte geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor haar handelen. In plaats daarvan heeft de verdachte wisselende verklaringen afgelegd, klaarblijkelijk om op die manier de politie maar ook de rechtbank op het verkeerde been te zetten.

De straf

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. De rechtbank acht een gevangenisstraf van 38 maanden waarvan

6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en een geldboete van 30.000,- euro passend. De rechtbank houdt in haar strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, zoals hiervoor overwogen, maar ziet in de overschrijding van de redelijke termijn aanleiding om een kortere vrijheidsstraf op te leggen. De redelijke termijn is met 6 maanden overschreden en de verdachte zal daarom een strafkorting van 2 maanden krijgen. Alles overwegende legt de rechtbank aan de verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en een geldboete van 30.000,- euro.

7
Het beslag

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen 3 DS Doos,

1 STK Verpakkingsmateriaal en 1 STK Verpakkingsmateriaal zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

8
De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 36b, 36c en 47 van het Wetboek van Strafrecht en 10a van de Opiumwet.

Beslissing

9
De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 3 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 30.000,-;

beveelt dat, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal volgt, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 158 dagen;

Beslag

- onttrekt aan het verkeer de volgende in beslag genomen voorwerpen:

3 DS Doos;

1 STK Verpakkingsmateriaal;

1 STK Verpakkingsmateriaal.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. Osmic, voorzitter, mr. M.E.M.W. Nuijts en mr. K. Bruns, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Hartgerink, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 21 juli 2026.

Buiten staat

Mr. D. Osmic is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

zij op of omstreeks 23 december 2023 te Roermond tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,

te weten:

- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren; en/of

- het opzettelijk vervaardigen

van (met)amfetamine en/of MDMA, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet

- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,

- voorwerpen, vervoermiddelen en/of stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan zij, verdachte en/of haar mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,

door

- 1.375 kilogram, althans een (grote) hoeveelheid (ethylester van) PMK-glycidezuur, zijnde een stof geschikt/benodigd voor de omzetting in piperonylmethylketon (PMK) en/of de (vervolgens) de bereiding en/of bewerking en/of verwerking en/of vervaardiging van MDMA, in elk geval van (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; en/of

- 1.525 kilogram, althans een (grote) hoeveelheid BMK-glycidezuur, zijnde een stof geschikt/benodigd voor de omzetting in benzylmethylketon (BMK) en/of (vervolgens) de bereiding en/of bewerking en/of verwerking en/of vervaardiging van (met)amfetamine, in elk geval van (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

zijnde een voorwerp en/of stof, waarvan zij, verdachte en/of haar mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat die stof(fen) bestemd was/waren tot het plegen van dat feit, voorhanden heeft gehad;

Voetnoot

Voetnoot 1

Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, registratienummer PL2330-2023188851, gesloten op 1 september 2024, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 332.

Voetnoot 2

Proces-verbaal van bevindingen van 23-12-2023, pagina 25 t/m 27.

Voetnoot 3

Proces-verbaal van bevindingen van 23-12-2023, pagina 19 t/m 21.

Voetnoot 4

Proces-verbaal van bevindingen van 24-12-2023, pagina 165 t/m 167.

Voetnoot 5

Rapport Douane Laboratorium van 12-03-2024, pagina 209 t/m 211.