Strafrecht overig

Witwassen geldbedrag (ongeveer € 40.000), goud en auto, art. 420bis.1.b Sr. Motivering verbeurdverklaring €…

Hoge Raad, 2 juni 2020

Zaakgegevens

Op 2 juni 2020 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
2 juni 2020
Datum publicatie
12 mei 2020
Zaaknummer
18/05287
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2020:870
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Witwassen geldbedrag (ongeveer € 40.000), goud en auto, art. 420bis.1.b Sr. Motivering verbeurdverklaring € 22.000, art. 33a.1.b Sr. Behoort geldbedrag aan verdachte toe? HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 21 november 2018

    ECLI:NL:GHAMS:2018:4510
  2. Conclusie A-G · 7 april 2020

    ECLI:NL:PHR:2020:555
  3. Hoge Raad · 2 juni 2020deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2020:870

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/05287

Datum 2 juni 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 21 november 2018, nummer 23/000428-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juni 2020.