Strafrecht overig

Opgeven van valse persoonsgegevens bij aanvraag Nederlands identiteitsbewijs door uit Iran afkomstige…

Hoge Raad, 19 mei 2020

Zaakgegevens

Op 19 mei 2020 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19 mei 2020
Datum publicatie
19 mei 2020
Zaaknummer
18/04481
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2020:907
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Opgeven van valse persoonsgegevens bij aanvraag Nederlands identiteitsbewijs door uit Iran afkomstige verdachte, art. 231.1 Sr. 1. Verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring OM in vervolging o.g.v. beroep op art. 31 Vluchtelingenverdrag. 2. Bewijsklacht. Kan uit bewijsvoering worden afgeleid dat verdachte “valse” persoonsgegevens heeft opgegeven? HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 18 september 2018

    ECLI:NL:GHAMS:2018:4494
  2. Conclusie A-G · 24 maart 2020

    ECLI:NL:PHR:2020:271
  3. Hoge Raad · 19 mei 2020deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2020:907

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/04481

Datum 19 mei 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 18 september 2018, nummer 23/002751-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 mei 2020.