Strafrecht overig

Faillissementsfraude door als feitelijk bestuurder van gefailleerde rechtspersoon niet alles in het werk te…

Hoge Raad, 2 juni 2020

Zaakgegevens

Op 2 juni 2020 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
2 juni 2020
Datum publicatie
28 mei 2020
Zaaknummer
18/04239
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2020:978
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Faillissementsfraude door als feitelijk bestuurder van gefailleerde rechtspersoon niet alles in het werk te stellen wat van hem kon en mocht worden gevergd om administratie in ongeschonden staat tevoorschijn te brengen, art. 342.3 (oud) Sr. Bewijsklacht. Kan uit bewijsvoering worden afgeleid dat het aan verdachte “te wijten is” dat administratieve bescheiden niet in ongeschonden staat tevoorschijn zijn gebracht? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 18/04429.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 7 april 2020

    ECLI:NL:PHR:2020:342
  2. Hoge Raad · 2 juni 2020deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2020:978

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/04239

Datum 2 juni 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 24 september 2018, nummer 20/003851-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juni 2020.