Strafrecht overig

Vervolgingsuitlevering opgeëiste persoon (Nederlandse nationaliteit) naar Turkije t.z.v. de verdenking van de…

Hoge Raad, 7 december 2021

Zaakgegevens

Op 7 december 2021 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
7 december 2021
Datum publicatie
6 december 2021
Zaaknummer
21/02100
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2021:1834
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vervolgingsuitlevering opgeëiste persoon (Nederlandse nationaliteit) naar Turkije t.z.v. de verdenking van de handel in of het verstrekken van verdovende of stimulerende middelen. Cassatiemiddel over het oordeel van de Rb dat de stukken genoegzaam zijn en de uitlevering toelaatbaar is en de afwijzing door de Rb van het verzoek tot aanhouding. HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 9 november 2021

    ECLI:NL:PHR:2021:1150
  2. Hoge Raad · 7 december 2021deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2021:1834

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 21/02100 U

Datum 7 december 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 april 2021, nummer [001], op een verzoek van de Republiek Turkije tot uitlevering

van

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

hierna: de opgeëiste persoon.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft T.M.D. Buruma, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 december 2021.