Strafrecht overig

Caribische zaak. Feitelijk leiding geven aan het onjuist en onvolledig doen van aangiften winstbelasting door…

Hoge Raad, 16 maart 2021

Zaakgegevens

Op 16 maart 2021 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16 maart 2021
Datum publicatie
15 maart 2021
Zaaknummer
19/04583
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2021:390
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Caribische zaak. Feitelijk leiding geven aan het onjuist en onvolledig doen van aangiften winstbelasting door rechtspersoon te Sint-Maarten, meermalen gepleegd. Bewijsklachten, o.m. m.b.t. gebruik voor bewijs van eigen waarneming door hof van een schriftelijk bescheid en t.a.v. feitelijk leidinggeven. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 19/05275.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 26 januari 2021

    ECLI:NL:PHR:2021:61
  2. Hoge Raad · 16 maart 2021deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2021:390

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/04583 A

Datum 16 maart 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van 15 oktober 2018, nummer H-63/2016, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Valkenswaard, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar alleen voor wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering van de straf wegens inbreuk op het in artikel 6, eerste lid, EVRM neergelegde recht om in cassatie binnen een redelijke termijn te worden berecht, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van 240 uren.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf;

- vermindert het aantal uren taakstraf in die zin dat dit 228 uren beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 maart 2021.