Strafrecht overig

Medeplegen oplichting, art. 326 Sr. Bewijsklacht medeplegen. HR: art. 81.1. RO. Samenhang met 20/00291.

Hoge Raad, 6 juli 2021

Zaakgegevens

Op 6 juli 2021 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
6 juli 2021
Datum publicatie
17 juni 2021
Zaaknummer
20/00336
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2021:965
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplegen oplichting, art. 326 Sr. Bewijsklacht medeplegen. HR: art. 81.1. RO. Samenhang met 20/00291.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 29 januari 2020

    ECLI:NL:GHSHE:2020:1166
  2. Hoge Raad · 6 juli 2021deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2021:965

  3. Conclusie A-G · 2021

    ECLI:NL:PHR:2021:675

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/00336

Datum 6 juli 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 29 januari 2020, nummer 20-002184-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.G. van Wijk, advocaat te Hoorn NH, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 juli 2021.