Strafrecht overig

Medeplegen opzettelijk vervoeren van 5 kg hennep (art. 2.B. Opiumwet). Bewijsklacht medeplegen. HR: art. 81.1…

Zaakgegevens

Op 22 februari 2022 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22 februari 2022
Datum publicatie
18 februari 2022
Zaaknummer
20/02295
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:287
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Medeplegen opzettelijk vervoeren van 5 kg hennep (art. 2.B. Opiumwet). Bewijsklacht medeplegen. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 20/02272.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 23 juli 2020

    ECLI:NL:GHAMS:2020:3886
  2. Conclusie A-G · 11 januari 2022

    ECLI:NL:PHR:2022:164
  3. Hoge Raad · 22 februari 2022deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2022:287

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/02295

Datum 22 februari 2022

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 23 juli 2020, nummer 23-002052-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 februari 2022.