Strafrecht overig

Medeplegen bedreiging met enig misdrijf tegen leven gericht, met zware mishandeling en met brandstichting…

Hoge Raad, 13 september 2022

Zaakgegevens

Op 13 september 2022 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13 september 2022
Datum publicatie
6 september 2022
Zaaknummer
20/00755
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:1138
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplegen bedreiging met enig misdrijf tegen leven gericht, met zware mishandeling en met brandstichting, art. 285.1 Sr. Bewijsklacht. Zijn eigen waarnemingen hof tegenstrijdig met tot het bewijs gebezigd p-v?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 18 december 2019

    ECLI:NL:GHAMS:2019:5008
  2. Conclusie A-G · 14 juni 2022

    ECLI:NL:PHR:2022:562
  3. Hoge Raad · 13 september 2022deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2022:1138

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/00755

Datum 13 september 2022

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 18 december 2019, nummer 23-002071-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D. Bektesevic, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis, zal de Hoge Raad volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. BroekhuizenMeuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 september 2022.