Strafrecht overig

Medeplegen van verkrachting (art. 242 jo. art. 248.1 Sr). 1. Bewijsklacht. Heeft hof zijn afwijking van de…

Hoge Raad, 11 oktober 2022

Zaakgegevens

Op 11 oktober 2022 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11 oktober 2022
Datum publicatie
7 oktober 2022
Zaaknummer
21/00708
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:1411
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplegen van verkrachting (art. 242 jo. art. 248.1 Sr). 1. Bewijsklacht. Heeft hof zijn afwijking van de onderbouwde standpunten m.b.t. betrouwbaarheid van door aangeefster afgelegde verklaringen begrijpelijk en toereikend gemotiveerd? 2. Bewijsklacht. Heeft hof gebruik gemaakt van bewijsmiddelen die in strijd zijn met bewezenverklaring? 3. Strafmotivering (gevangenisstraf van 20 maanden). Heeft hof de opgelegde straf toereikend gemotiveerd?

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 21/00759 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte n-o).

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 30 augustus 2022

    ECLI:NL:PHR:2022:739
  2. Hoge Raad · 11 oktober 2022deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2022:1411

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 21/00708

Datum 11 oktober 2022

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 februari 2021, nummer 21-001501-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat de duur van de opgelegde gevangenisstraf betreft, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twintig maanden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze negentien maanden en twee weken beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 oktober 2022.