Strafrecht overig

Profijtontneming, w.v.v. uit vuurwerkhandel. Methode van eenvoudige kasopstelling, art. 36e.2 en 36e.3 Sr…

Hoge Raad, 1 november 2022

Zaakgegevens

Op 1 november 2022 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
1 november 2022
Datum publicatie
17 oktober 2022
Zaaknummer
20/02378
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:1478
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Profijtontneming, w.v.v. uit vuurwerkhandel. Methode van eenvoudige kasopstelling, art. 36e.2 en 36e.3 Sr. Heeft hof ten onrechte niet art 36e (oud) Sr toegepast, zoals dit gold t.t.v. de in strafzaak bewezenverklaarde feiten?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Rechtbank Noord-Nederland · 27 oktober 2015

    ECLI:NL:RBNNE:2015:4949
  2. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 31 juli 2020

    ECLI:NL:GHARL:2020:6069
  3. Conclusie A-G · 13 september 2022

    ECLI:NL:PHR:2022:764
  4. Hoge Raad · 1 november 2022deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2022:1478

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/02378 P

Datum 1 november 2022

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 juli 2020, nummer 21-006346-15, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste

van

[betrokkene] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

hierna: de betrokkene.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel en tot vermindering daarvan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsman van de betrokkene heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting van € 403.745.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

- vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 398.745 bedraagt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 november 2022.