Strafrecht overig

Verlaten plaats ongeval (art. 7 lid 1 WVW 1994). Post-Keskin. Afwijzing herhaalde verzoeken een getuige van…

Hoge Raad, 17 mei 2022

Zaakgegevens

Op 17 mei 2022 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17 mei 2022
Datum publicatie
13 mei 2022
Zaaknummer
20/03992
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:692
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verlaten plaats ongeval (art. 7 lid 1 WVW 1994). Post-Keskin. Afwijzing herhaalde verzoeken een getuige van het ongeval te horen. HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 1 december 2020

    ECLI:NL:GHDHA:2020:2343
  2. Conclusie A-G · 12 april 2022

    ECLI:NL:PHR:2022:315
  3. Hoge Raad · 17 mei 2022deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2022:692

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/03992

Datum 17 mei 2022

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 1 december 2020, nummer 22-005305-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft E. Tamas, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 mei 2022.