Strafrecht overig
Conclusie AG. Witwassen (WhatsAppfraude). Verdachte heeft geld gepind waarop het slo geld had gestort…
Parket bij de Hoge Raad, 6 oktober 2026
ECLI:NL:PHR:2026:971 · Parket bij de Hoge Raad · 6 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-971
Zaakgegevens
Op 6 oktober 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 6 oktober 2026
- Datum publicatie
- 5 oktober 2026
- Zaaknummer
- 24/02348
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:971
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Conclusie AG. Witwassen (WhatsAppfraude). Verdachte heeft geld gepind waarop het slo geld had gestort. Middelen over te weinig gespecificeerde tenlastelegging, bewijs van het pinnen en over het niet kunnen ondervragen van Keskin-getuige. Hof had de oproeping van de getuige afgewezen op de grond dat de getuigenverklaring niet doorslaggevend was voor het bewijs. Beschouwingen over Keskin en de driestappentoets, met name over steunbewijs als compenserende factor en dubbeltelling van steunbewijs. De conclusie strekt tot verwerping.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/02348
Zitting 6 oktober 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 6 juni 2024 (parketnr. 21-003227-22) door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens "witwassen, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot het bedrag van € 1.940,00 en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M.J. van Berlo, R.J. Baumgardt en B.P.L. de Vries, allen advocaat in Rotterdam, hebben drie middelen van cassatie voorgesteld.
De bewijsvoering: waarover gaat deze zaak?
3. De zaak betreft een geval van WhatsAppfraude, ook wel genoemd: ‘hoi mam’-fraude. Het hof heeft blijkens de bewijsmiddelen vastgesteld dat de aangever, [aangever] , op 20 juli 2018 in WhatsAppberichten van iemand die zich voordeed als zijn broer het dringende verzoek kreeg om geld over te maken naar de bankrekening van [betrokkene 1] . [aangever] heeft aan deze verzoeken gevolg gegeven en (om 23:47 uur die dag) in twee tranches iets meer dan € 1940 gestort op de rekening van [betrokkene 1] . Daarop zijn om 23:52 uur en 23:54 uur bij de Rabobank in [plaats] en om 23:59 uur (tweemaal), 00:00 uur en 00:02 uur bij het casino in [plaats] zes bedragen van in totaal € 1940 gepind met de bankpas en vanaf de bankrekening van [betrokkene 1] . Twee verbalisanten hebben ieder afzonderlijk van stills van camerabeelden van de pinautomaat van de Rabobank de verdachte herkend als degene die daar tweemaal pinde.
4. [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij zijn rekening en pasje beschikbaar had gesteld aan [betrokkene 2] . [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij was benaderd door de verdachte met het voorstel om snel geld te verdienen, waartoe hij zijn rekening en pinpas ter beschikking zou moeten stellen. Op die rekening zou volgens de verdachte geld worden gestort, waarvan [betrokkene 2] een deel zou mogen houden. Daarna heeft hij, [betrokkene 2] , een bekende van hem, [betrokkene 1] , benaderd met het verzoek om zijn ( [betrokkene 1] ) rekening en pinpas ter beschikking te stellen. Daarmee ging [betrokkene 1] akkoord. [betrokkene 2] herkende de verdachte op (naar ik begrijp) de genoemde stills.
5. De verdachte is op 18 april 2019 in [plaats] bij gelegenheid van een mogelijke pinpasfraude aangehouden, in het bezit van twee bankpasjes die (naar ik van het hof begrijp) niet van hem waren.
Het eerste middel
6. Het eerste middel komt op tegen de verwerping van een verweer over de nietigheid van de dagvaarding wegens strijd met de eisen van artikel 261 Sv (ontoereikende specificatie).
De relevante delen van de processtukken
7. Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
“hij, op of omstreeks 20 juli 2018, te [plaats] , gemeente [plaats] en/of te [plaats] , in elk geval in Nederland, een voorwerp, te weten een of meerdere geldbedragen (te weten een totaalbedrag van 1900 euro), heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van een voorwerp, te weten een of meerdere geldbedragen (te weten een totaalbedrag van 1900 euro) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.”
8. Het hof oordeelt ten aanzien van het verweer van de verdediging over de tenlastelegging is als volgt:
“De omschrijving van hetgeen verdachte in de tenlastelegging wordt verweten, tegen de achtergrond van het procesdossier bezien, is voldoende specifiek en het is de verdediging, gelet op het proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, voldoende duidelijk waartegen verdachte zich moet verdedigen. Daarbij overweegt het hof als volgt. De bedragen in het op pagina 31 van het dossier opgenomen overzicht met bankafschriften van de rekening van [betrokkene 1] leveren bij elkaar opgeteld een totaalbedrag van € 1.900,00 op. In samenhang met de overige stukken in het procesdossier moet het voor de verdediging dan ook voldoende duidelijk zijn geweest dat de verdenking ziet op de in dit overzicht genoemde geldbedragen. Dat in werkelijkheid een bedrag van (in totaal) € 1.940,00 van de rekening van [betrokkene 1] is gepind, doet aan het voorgaande niets af, nu uit pagina’s 14 en 32 van het dossier klaarblijkelijk volgt dat het op pagina 31 van het dossier genoemde bedrag van € 400,00 een kennelijke verschrijving is en dat hier € 440,00 had moeten staan. Tot slot is ook gelet op de inhoud van de pleitnota niet gebleken dat het voor de verdediging niet duidelijk was tegen welke verdenking verdachte zich moet verdedigen. Onder punt 13 van de pleitnota heeft de raadsman immers aangegeven dat hij er van uitgaat dat de verdenking ziet op het van de rekening van [betrokkene 1] gepinde (totaal)bedrag van € 1.940,00.
De dagvaarding voldoet dan ook aan de eisen van artikel 261 Sv, zodat van nietigheid geen sprake is. Het hof verwerpt het verweer.”
Een nadere omschrijving van het eerste middel
9. Het hof heeft overwogen dat het voor de verdediging, gelet op de pleitnota, voldoende duidelijk was waartegen zij zich moest verdedigen. Deze overweging doet volgens de stellers van het middel de inhoud van het verweer tekort, aangezien uitdrukkelijk is aangevoerd dat in het dossier ook bewijsmiddelen zijn opgenomen waarin andere ten laste gelegde (mogelijke) pleegplaatsen en bankrekeningen van andere aangevers zijn vermeld, terwijl nergens een bedrag van € 1.900,- is genoemd.
Het beoordelingskader
10. Eén van de functies van de tenlastelegging is dat de verdachte wordt meegedeeld voor welk voorval hij moet terechtstaan, zodat hij weet waartegen hij zich heeft te verdedigen. Daarmee heeft de tenlastelegging een informatiefunctie jegens de verdachte. De andere functie van de tenlastelegging is dat de rechter moet weten welk verwijt de verdachte wordt gemaakt. Artikel 261 Sv bevat minimumeisen voor de tenlastelegging. De taak van de tenlastelegging is opgave te doen van de verweten gedraging, alsmede van de tijd en plaats ervan. De vraag of die opgave juist is en of de gedraging strafbaar is, raakt niet aan de hier bedoelde informatiefunctie van de tenlastelegging. Als de vermelding van de gedraging, tijd en/of plaats onjuist is of de gedraging niet-strafbaar is, kan de tenlastelegging nog steeds fungeren als grondslag voor een terechtzitting; een dagvaarding met een dergelijke tenlastelegging is daarom geldig.
11. Voor de Hoge Raad is van belang dat de tenlastelegging als geheel voldoende duidelijk is en dat er voor de verdachte geen onduidelijkheid bestaat over de vraag op welk moment en waar hij de gestelde gedraging zou hebben verricht. In het geval dat de verdachte met een grote frequentie delicten heeft gepleegd zal de tenlastelegging specifieker moeten zijn. De Hoge Raad laat de eisen die hij stelt aan de specificatie van tijd en plaats afhangen van de context van de feiten en het soort delict. Bij de beoordeling of de tenlastelegging voldoet aan de eisen van artikel 261 mag de rechter de inhoud van het dossier betrekken.
De bespreking van het eerste middel
12. Bij het oordeel dat de tenlastelegging voldoende specifiek is en dat het de verdediging voldoende duidelijk is waartegen de verdachte zich moet verdedigen, heeft het hof de inhoud van het procesdossier betrokken. Dat dossier geeft op basis van de bewijsmiddelen blijk van slechts één aangever ( [aangever] ), waardoor ik de stellers van het middel niet volg op het punt dat het dossier ook bewijsmiddelen bevat waarin bankrekeningen van andere aangevers zijn vermeld. Ten aanzien van het gepinde bedrag heeft het hof geoordeeld dat het bij het bedrag van € 1900 gaat om een kennelijke verschrijving (in werkelijkheid is € 1940 gepind). Dit oordeel is, gelet op de inhoud van het dossier, niet onbegrijpelijk. Tot slot heeft het hof bij zijn oordeel betrokken dat ook uit de inhoud van de pleitnota niet is gebleken dat het voor de verdediging onduidelijk was waartegen de verdachte zich moest verdedigen.
13. Gelet op het bovenstaande geeft het oordeel dat de dagvaarding voldoet aan de eisen van artikel 261 Sv geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd. Het middel faalt.
Het tweede middel
14. Het tweede middel betreft de bewezenverklaring van het pinnen bij casino [A] in [plaats] .
De relevante processuele feiten
15. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“Hij op of omstreeks 20 juli 2018 te [plaats] , in elk geval in Nederland, voorwerpen, te weten meerdere geldbedragen heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl hij wist dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.”
16. De overwegingen van het hof met betrekking tot het bewijs van het pinnen bij casino [A] zijn als volgt:
“Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Daarbij overweegt het hof in het bijzonder als volgt.
(…)
De beoordeling
Aangever is via WhatsApp benaderd door een persoon die zich voordeed als een familielid dat in financiële nood verkeerde. Aangever heeft daarom op verzoek van die persoon meerdere geldbedragen overgemaakt. Om 23:47 uur heeft aangever geldbedragen van € 976,65 en € 966,23 overgemaakt naar de bankrekening van [betrokkene 1] . Om 23:52 uur is een bedrag van € 800,00 van de rekening van [betrokkene 1] gepind bij een geldautomaat van De Rabobank in [plaats] . Twee minuten later, om 23:54 uur is een bedrag van € 440,00 van die rekening gehaald. Beide geldbedragen werden door dezelfde persoon gepind. Het hof heeft hiervoor reeds geconstateerd dat verdachte die persoon was. Vervolgens is tussen 23:59 uur en 0:02 uur nog vier keer met de bankpas van [betrokkene 1] gepind voor (in totaal) een bedrag van € 700,00. Dit keer werden de bedragen gepind bij casino [A] , eveneens in [plaats] . Het hof stelt vast dat verdachte ook de persoon moet zijn geweest die deze geldbedragen heeft gepind, nu het geld vrijwel direct werd gepind nadat verdachte bij de Rabobank geld van de rekening van [betrokkene 1] had gehaald. Er is bovendien geen enkele indicatie dat de bankpas slechts enkele minuten daarna niet meer in handen was van verdachte. Het enkele feit dat [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij de bankpas van [betrokkene 1] aan verdachte had gegeven en dat hij via [betrokkene 3] in contact met verdachte was gekomen, maakt dat niet anders. Het dossier bevat immers geen aanwijzingen dat één van hen met de bankpas van [betrokkene 1] heeft gepind, terwijl uit het dossier wel volgt dat verdachte geld van die rekening heeft gehaald. Het hof komt dan ook tot de conclusie dat verdachte op 20 juli 2018 (en enkele minuten na middernacht op 21 juli 2018) in totaal € 1.940,00 van de bankrekening van [betrokkene 1] heeft gepind.
(…)
Conclusie
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 20 juli 2018 schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van (in totaal) € 1.940,00.”
Een nadere omschrijving van het tweede middel
17. De stellers van het middel stellen zich op het standpunt dat de bewijsvoering omtrent het pinnen van (in totaal) € 700,- bij casino [A] door de verdachte niet toereikend is nu daarvan onder de bewijsmiddelen geen camerabeelden zijn opgenomen. De omstandigheden die het hof wel bij de bewijsvoering heeft betrokken, zijn niet toereikend.
De bespreking van het tweede middel
18. In cassatie staat niet ter discussie dat de verdachte de persoon is geweest die, kort nadat de aangever om 23:47 uur geldbedragen naar de rekening van [betrokkene 1] had overgemaakt, van die rekening om 23:52 uur en 23:54 uur bij een geldautomaat van de Rabobank in [plaats] twee bedragen van in totaal € 1240,- heeft gepind. Vervolgens is tussen 23:59 uur en 00:02 uur nog vier keer (in totaal € 700,-) gepind van diezelfde rekening bij casino [A] eveneens in [plaats] . De vraag die voorligt is of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte niet alleen bij de Rabobank maar ook bij het casino gebruik heeft gemaakt van de pinpas van [betrokkene 1] . Voor het hof was doorslaggevend dat de pintransacties bij (eerst) de Rabobank en (daarna) het casino achtereenvolgens hebben plaatsgevonden binnen een zeer korte tijdsbestek. Bij de gevolgtrekking dat de verdachte ook bij het casino van de pinpas van [betrokkene 1] gebruik heeft gemaakt, heeft het hof betekenis toegekend aan de omstandigheid dat het dossier geen aanwijzingen bevat dat iemand anders met de bankpas van [betrokkene 1] heeft gepind.
19. De gevolgtrekking dat de verdachte niet alleen bij de Rabobank, maar ook bij het casino heeft gepind, heeft het hof bij deze stand van zaken m.i. kunnen maken. Ook dit middel faalt.
Het derde middel
20. Het laatste middel bevat klachten over het uitblijven van een gelegenheid om de getuigen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] te ondervragen, ondanks dat de verdediging om dit verhoor had verzocht. Met name wordt met dit middel met rechts- en motiveringsklachten opgekomen tegen de volgende oordelen:
(a) niet valt te verwachten dat [betrokkene 2] binnen een aanvaardbare termijn zal kunnen worden gehoord;
(b) ondanks dat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest [betrokkene 2] te horen, is het proces als geheel eerlijk geweest;
(c) [betrokkene 1] heeft geen belastende verklaring afgelegd.
Relevante processuele feiten
21. Het hof heeft het volgende overwogen:
“De door [betrokkene 2] afgelegde verklaringen
Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat de door [betrokkene 2] tijdens het politieverhoor afgelegde verklaringen kunnen bijdragen aan het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd. De verklaringen sluiten immers onmiskenbaar aan bij de overige bewijsmiddelen in het dossier. Het hof ziet dan ook geen redenen om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen te twijfelen. Het enkele feit dat [betrokkene 2] als verdachte is gehoord doet daar niets aan af. Bovendien heeft [betrokkene 2] niet alleen belastend verklaard over verdachte, maar ook ten aanzien van zichzelf.
Bij appelschriftuur heeft de verdediging verzocht [betrokkene 2] als getuige te horen. Op 3 juli 2023 heeft de poortraadsheer het verzoek toegewezen. Aangezien het niet is gelukt de getuige te horen, heeft de raadsman het verzoek ter terechtzitting in hoger beroep herhaald. Het hof overweegt ten aanzien van het getuigenverzoek als volgt. Uit de processen-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 23 januari 2024, 9 februari 2024 en 23 februari 2024 volgt dat meerdere keren is getracht de getuige te horen en dat daarvoor ook twee keer een bevel medebrenging is afgegeven, maar dat de getuige steeds niet op zijn GBA-adres werd aangetroffen. Ook op andere mogelijke verblijfsadressen trof de politie de getuige niet aan. Naar aanleiding van de pogingen van de politie om het bevel medebrenging te effectueren heeft de getuige contact opgenomen met het kabinet raadsheer-commissaris om aan te geven dat hij niet voornemens is aan welke oproep dan ook gehoor te geven en dat hij niet bereid is om antwoord te geven op vragen. Gelet op deze bevindingen, en aangezien op de terechtzitting in hoger beroep geen nieuwe informatie over de vindplaats van de getuige naar voren is gekomen, is het hof van oordeel dat niet te verwachten valt dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn zal kunnen worden gehoord. Het hof wijst het getuigenverzoek dan ook af.
De raadsman heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de verklaringen van [betrokkene 2] dienen te worden uitgesloten van het bewijs, omdat het in artikel 6, derde lid, onder d van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) verankerde ondervragingsrecht is geschonden. De verdediging heeft [betrokkene 2] immers niet kunnen ondervragen en daarvoor is geen compensatie geboden, terwijl de verklaring van [betrokkene 2] volgens de verdediging wel ‘sole and decisive’ is. Het hof is het niet eens met de raadsman en overweegt daartoe als volgt. Naar het oordeel van het hof kunnen de verklaringen van [betrokkene 2] in het licht van de andere bewijsmiddelen niet als ‘sole or decisive' worden beschouwd in de bewijsconstructie die de basis vormt van de veroordeling. Naast de tegenover de politie door deze getuige afgelegde verklaringen bevat het dossier immers (stills van) camerabeelden waarop verdachte is herkend (zie ook hierna) en het proces-verbaal van bevindingen waaruit volgt dat verdachte eerder is aangehouden toen hij met meerdere bankpasjes die niet van hem waren aan het pinnen was. Nu de verklaring van [betrokkene 2] bij de politie niet ‘sole or to a decisive degree’, dus in doorslaggevende mate, bijdraagt aan het bewijs, kan deze worden gebezigd tot het bewijs, ondanks de vaststelling dat de verdediging het ondervragingsrecht niet heeft kunnen uitoefenen. Gelet op de pogingen om de getuige te horen acht het hof de strafprocedure in eerste aanleg en in hoger beroep, achteraf en over het geheel beschouwd, eerlijk in de zin van artikel 6 EVRM. Het hof verwerpt dan ook het verweer en komt tot de conclusie dat de door [betrokkene 2] afgelegde verklaringen voor het bewijs kunnen worden gebezigd.
Het verzoek tot het horen van [betrokkene 1] als getuige
Bij appelschriftuur heeft de verdediging eveneens verzocht [betrokkene 1] als getuige te horen. Op 3 juli 2023 heeft de poortraadsheer te kennen gegeven vooralsnog daarvoor geen aanleiding te zien. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman het getuigenverzoek herhaald. Het hof stelt allereerst vast dat het verdedigingsbelang van toepassing is als maatstaf om het verzoek aan te toetsen, aangezien het getuigenverzoek is ingediend binnen de termijn van veertien dagen na het instellen van het appel als bedoeld in artikel 410 van het Wetboek van Strafvordering. Naar het oordeel van het hof is onvoldoende gemotiveerd waarom het horen van [betrokkene 1] in het belang van de verdediging is. Het hof wijst het getuigenverzoek dan ook af. Daarbij overweegt het hof ook dat de Keskin-uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM 19 januari 2021, nr. 2205/16 (Keskin tegen Nederland)) en in navolging daarvan de rechtspraak van de Hoge Raad over het horen van belastende getuigen niet in de weg staan aan de afwijzing van het verzoek. Er is immers geen sprake van een belastende getuige, maar enkel van bevindingen met betrekking tot de getuige, te weten de zich in het dossier bevindende bankafschriften van [betrokkene 1] en de verklaringen van [betrokkene 2] dat hij de bankpas van [betrokkene 1] aan verdachte heeft gegeven. Zoals hierna wordt overwogen blijkt evenwel reeds uit de zich in het dossier bevindende (stills van) camerabeelden dat verdachte de pinpas van [betrokkene 1] voorhanden heeft gehad, zodat [betrokkene 1] hierover niet hoeft te worden gehoord.”
Het beoordelingskader: het ondervragingsrecht en de eerlijkheid van het strafproces
Het ondervragingsrecht
22. Volgens rechtspraak van het EHRM verankert artikel 6 lid 1 en lid 3 onder d EVRM de aanspraak dat al het bewijs dat de rechter ter onderbouwing van een veroordeling gebruikt − met het oog op de mogelijkheid van tegenspraak − in verdachte’s aanwezigheid op een openbare terechtzitting wordt geleverd en onderzocht. Wanneer de rechter de verklaring van een getuige ten laste van de verdachte voor het bewijs gebruikt, brengt deze aanspraak mee dat de verdediging de gelegenheid moet hebben (gehad) de getuige ter terechtzitting te ondervragen en zijn verklaring te bestrijden. Uitzonderingen op deze regel zijn toelaatbaar zolang verdachte’s verdedigingsrechten niet in het gedrang komen. Dit vergt in beginsel dat de verdediging op enig moment gedurende de procedure een adequate en behoorlijke gelegenheid heeft (gehad) om de getuige rechtstreeks te ondervragen en zijn verklaring te betwisten.
23. Anders dan bij een verzoek tot de oproeping ter terechtzitting van een getuige à decharge, hoeft de verdediging geen onderbouwing te geven van haar belang bij de ondervraging van een getuige die al een belastende verklaring heeft afgelegd en die de verdediging nog niet heeft kunnen ondervragen, zo oordeelde het EHRM in zijn Keskin-uitspraak van 19 januari 2021 en in het vervolg hierop ook de Hoge Raad. In het verlengde hiervan ligt dat de rechter een verzoek tot de oproeping van zo’n getuige à charge, niet kan afwijzen op de enkele grond dat het verzoek niet of niet naar behoren is onderbouwd.
24. Op grond van artikel 288 lid 1 sub a Sv kan de rechter een verzoek tot het horen van een getuige afwijzen als het naar zijn oordeel “onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen”. Deze bepaling leent zich voor toepassing als een getuige niet traceerbaar is of als te verwachten valt dat de getuige pas na verloop van lange tijd kan worden gehoord.
25. Bij de toets van de begrijpelijkheid van het oordeel dat onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen, slaat de Hoge Raad acht op de mate van inspanning die de justitiële autoriteiten zich hebben getroost om de getuige te traceren. In het bijzonder mag van de politie worden verwacht dat zij actief op zoek gaat naar de getuige en daarbij gebruikmaakt van alle haar ten dienste staande informatiesystemen. Op het moment dat de rechter afziet van het horen van de getuige op grond van artikel 288 lid 1 sub a Sv kan het tijdsverloop tussen de laatste poging om de getuige te vinden en de inhoudelijke behandeling van de zaak van belang zijn.
26. De mogelijkheid om op grond van artikel 288 lid 1 sub a Sv af te zien van het oproepen van een getuige laat echter onverlet dat de rechter, voordat hij uitspraak doet, zich ervan dient te vergewissen dat de procedure als geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Hierop ziet − in aanvulling op de nationale rechter ook − het EHRM toe.
De driestappentoets
27. Aangezien het oordeel over de toelaatbaarheid, de relevantie en de waardering van het bewijs toekomt aan de nationale rechter, houdt het EHRM in dit verband vooral toezicht op de vraag of het strafproces in z’n geheel beschouwd, met inbegrip van de wijze waarop het door de rechter gebruikte bewijs is verkregen, ‘eerlijk’ is verlopen. Met andere woorden: het EHRM toetst the overall fairness of the trial.Wanneer het EHRM wordt geroepen om te oordelen over de klacht dat de verdediging niet in de gelegenheid is gesteld om een getuige wiens verklaring door de rechter voor het bewijs is gebruikt op de terechtzitting te ondervragen, betrekt het EHRM bij zijn toets aan artikel 6 lid 1 en lid 3 sub d EVRM de volgende drie gezichtspunten die in onderling verband met elkaar moeten worden beschouwd:
(1) de reden waarom het ondervragingsrecht niet kon worden uitgeoefend,
(2) het gewicht van de getuigenverklaring in de bewijsvoering, en
(3) het bestaan van compenserende factoren, met inbegrip van procedurele waarborgen, die de door de verdediging ondervonden beperkingen in voldoende mate ondervangen.
28. Wil de rechter voor het bewijs gebruikmaken van de verklaring van een getuige die de verdediging niet heeft kunnen ondervragen, dan zal hij als primair verantwoordelijke voor de handhaving van de op artikel 6 EVRM gebaseerde aanspraken deze driestappentoets moeten uitvoeren. Het definitieve oordeel daarover kan pas bij de einduitspraak worden gegeven; bij de beslissing op het getuigenverzoek kan de rechter volstaan met een voorlopig oordeel over het gewicht van de verklaring.
Gezichtspunt (1): de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend, in het bijzonder vanwege de onvindbaarheid van de getuige
29. De vraag of de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend aanvaardbaar is, houdt nauw verband met de vraag of de door de rechter opgegeven gronden voor de vaststelling dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen, voldoen. Als het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend, mag dat niet te wijten zijn aan de justitiële autoriteiten. Bij de beoordeling van “the witness’s absence owing to unreachability” slaat (ook) het EHRM acht op de mate van inspanning die de justitiële autoriteiten hebben verricht om de getuige te traceren. Alle aanknopingspunten om de getuige te vinden en alle redelijkerwijze ter beschikking staande middelen moeten worden benut.Ingeval een getuige zich echter aan justitie onttrekt en zich onvindbaar houdt, kan van de nationale rechter niet worden verwacht dat hij naar de vindplaats van de getuige onderzoek doet in aanvulling op de inspanningen die de autoriteiten met behulp van de wettelijke mogelijkheden om de getuige te achterhalen al hebben verricht; de rechter moet dan wel vaststellen dat de getuige zich aan justitie onttrekt en de verdediging op die vaststelling laten reageren.
Gezichtspunt (2): steunbewijs
30. Bij de driestappentoets is (ook) gezichtspunt (2), het gewicht van de getuigenverklaring in de bewijsvoering, een belangrijke beoordelingsfactor. De mate waarin de bewezenverklaring steunt op de verklaring van een niet door de verdediging ondervraagde getuige à charge staat in omgekeerd evenredig verband met de mate waarin die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het benodigde steunbewijs moet betrekking hebben op die onderdelen van de getuigenverklaring die de verdachte betwist. Of dat steunbewijs aanwezig is, wordt mede bepaald door het gewicht van de getuigenverklaring in het licht van de bewijsvoering als geheel. Het ‘gewicht van de getuigenverklaring’ is een gradueel begrip: het gaat om de mate waarin die verklaring de bewijskracht van de gehele bewijsconstructie versterkt.
31. Voor de Hoge Raad is de rubricering in gewichtsklassen als ‘sole or decisive’ en ‘(not of in)significant weight’ daarbij niet van doorslaggevend belang voor de vraag of wegens het ontbreken van een gelegenheid tot ondervraging van de getuige compensatie moet worden geboden. Ik citeer de Hoge Raad: “Naarmate het gewicht van de verklaring van de getuige groter is, is het — wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt — des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan.” Dat een dergelijk kompas weinig richtinggevend is, laat ik verder rusten.
32. Een schending van artikel 6 EVRM zal zich in de regel niet voordoen indien de getuigenverklaring in de bewijsvoering slechts van zeer ondergeschikte betekenis of overbodig (‘manifestly irrelevant or redundant’) is. Is de getuigenverklaring echter van méér dan ondergeschikte betekenis, dan zal het EHRM, bezien in onderling verband, beoordelen of de reden waarom de getuige niet ter terechtzitting is ondervraagd, aanvaardbaar is (gezichtspunt (1): ‘a good reason’?) en acht slaan op de mate waarin de verdediging voor het gebrek in de bewijslevering compensatie is geboden (gezichtspunt (3): ‘sufficient counterbalancing factors’?), waarbij die compensatie zwaarder moet wegen naarmate de verklaring meer gewicht heeft.
Gezichtspunt (3): compenserende factoren
33. Voor gezichtspunt (3) zijn relevant de punten (i) of de rechter behoedzaam is omgegaan met de getuigenverklaring in kwestie en of hij zijn oordeel over de betrouwbaarheid ervan heeft onderbouwd, (ii) of er voor de ongetoetste getuigenverklaring steunbewijs is waarmee de betrouwbaarheid ervan kan worden getoetst, en (iii) of er krachtige procedurele maatregelen (‘strong procedural safeguards’) zijn getroffen die het gebrek aan toetsing van de verklaring ter terechtzitting ondervangen.
34. Wat punt (iii) betreft gaat het erom dat de verdediging op een andere wijze dan door de ondervraging van de getuige à charge op een openbare terechtzitting een behoorlijke en effectieve mogelijkheid is geboden om de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid ervan te onderzoeken en aan te vechten. Gezichtspunt (3) punt (iii) van de driestappentoets betreft zodoende de vraag naar een alternatieve wijze waarop de toetsing van de getuigenverklaring is verwezenlijkt en waarmee de verdediging adequaat is tegemoetgekomen.
Gezichtspunt (3) punt (ii): steunbewijs
35. Ik kom terug op gezichtspunt (3) punt (ii) van de driestappentoets, namelijk de vraag of er voor de ongetoetste getuigenverklaring ondersteuning is waarmee de betrouwbaarheid ervan alsnog kan worden onderzocht. Hoe verhoudt die vraag zich tot gezichtspunt (2), waarin ook de vraag aan de orde is of er op het door de verdachte betwiste punt voldoende steunbewijs is voor de verklaring van de niet-ondervraagde getuige à charge?
36. Om die vraag te beantwoorden, zet ik eerst op een rij wat volgens het EHRM en de Hoge Raad onder gezichtspunt (3) punt (ii) als compenserende factor kan gelden. In Schatschaschwili omschrijft het EHRM dit als de beschikbaarheid ter terechtzitting van bewijs dat de ongetoetste verklaring ondersteunt, waaronder: (a) verklaringen ter terechtzitting van personen aan wie de afwezige getuige onmiddellijk na de gebeurtenissen zijn verhaal heeft gedaan, (b) ander feitelijk bewijs met betrekking tot het feit, waaronder forensisch bewijs, (c) deskundigenoordelen over het letsel of de geloofwaardigheid van het slachtoffer, en (d) sterke overeenkomsten tussen de beschrijving van het feit door de afwezige getuige en de beschrijving van een vergelijkbaar feit van dezelfde verdachte door een andere getuige bij wie geen aanwijzing voor collusie bestaat, zeker als die getuige ter terechtzitting is ondervraagd (schakelbewijs). In latere rechtspraak heeft het EHRM aanvaard: (e) de overeenstemming tussen de getuigenverklaring en de sporen en bevindingen op de plaats van het delict, (f) de overeenstemming met de verklaring van een andere getuige die wel door de verdediging is ondervraagd en bij wie collusie niet aannemelijk is (wederom schakelbewijs), en (g) een rechtspsychologisch onderzoek naar de motivatie en de psychologische context waarin de verklaring is afgelegd, ook als het om een volwassen getuige gaat.
37. De Hoge Raad noemt in dit verband (a) verklaringen van personen tegenover wie de getuige kort na de gebeurtenissen zijn of haar verhaal heeft gedaan, (b) verklaringen van personen die anderszins feiten en omstandigheden waarop de getuigenverklaring ziet, kunnen bevestigen, en (c) verklaringen van deskundigen die de totstandkoming en de betrouwbaarheid van de verklaring, dan wel de persoon van de getuige, aan een onderzoek hebben onderworpen. In HR 10 februari 2026 aanvaardde de Hoge Raad als compenserende factoren onder meer dat de verklaring op essentiële onderdelen steun vond in ander bewijs, zoals het onderzoek naar het telefoonverkeer, en dat de getuige op de hoogte was van persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Deze opsommingen brengen bewijs van verschillende aard bijeen.
De verschillen tussen steunbewijs bedoeld in gezichtspunt (2) en in gezichtspunt (3) punt (ii)
38. Ook bij gezichtspunt (3) punt (ii) gaat het dus om steunbewijs voor de verklaring van de niet-ondervraagde getuige. Dat is echter niet zonder meer hetzelfde steunbewijs als bedoeld bij gezichtspunt (2). Om de verschillen tussen de hier aangestipte vormen van steunbewijs te belichten, maak ik onderscheid tussen de begrippen ‘parallel bewijs’ en ‘accessoir bewijs’. Parallel bewijs betreft het geval waarin twee bewijsmiddelen zelfstandig hetzelfde verband leggen. De bewijsmiddelen versterken elkaar, maar kunnen ook zonder elkaar. Accessoir bewijs betreft bewijsmateriaal dat informatie geeft over een ander bewijsmiddel, bijvoorbeeld wat betreft een getuigenverklaring: over de wijze waarop die tot stand is gekomen, over de emoties van de getuige toen hij zijn verhaal deed, over ankerpunten in de getuigenverklaring die in de resultaten van het vooronderzoek op (on)juistheid kunnen worden gecontroleerd, of rechtspsychologische rapportage over de getuigenverklaring in kwestie. Zulk accessoir bewijs is in de bewijsvoering afhankelijk van de getuigenverklaring waarover het bewijs informatie geeft. Wie de getuigenverklaring uit de bewijsvoering wegdenkt, houdt van het parallelle bewijs iets over, van het accessoire bewijs niet. Of een bewijsmiddel het een of het ander is, hangt af van de functie die het in de bewijsvoering vervult, niet van de soort bewijs. Eén bewijsmiddel kan beide functies hebben.
39. Bij gezichtspunt (2) gaat het om de vraag in hoeverre de bewezenverklaring van de getuigenverklaring afhankelijk is. Die afhankelijkheid wordt kleiner door de aanwezigheid van parallel bewijs, voor zover dat onafhankelijk bestaat van de getuigenverklaring. Accessoir bewijs daarentegen maakt de getuigenverklaring betrouwbaarder, maar niet minder onmisbaar. Bij gezichtspunt (3) punt (ii) gaat het om compensatie voor de beperkingen die de verdediging heeft ondervonden bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaring. Daarvoor is accessoir bewijs bij uitstek geschikt.
40. De opsommingen van het EHRM en de Hoge Raad maken het door mij omschreven onderscheid tussen parallel bewijs en accessoir bewijs echter niet. Dat bergt het gevaar van dubbeltelling in zich. Steunbewijs dat al heeft gediend om te betogen dat de verklaring niet beslissend is, en dat daarmee de benodigde mate van compensatie heeft verminderd, wordt vervolgens opnieuw opgevoerd als de compensatie zelf. Ik bepleit niet dat parallel bewijs, zoals het door het EHRM in zijn opsomming genoemde forensisch bewijs, bij gezichtspunt (3) punt (ii) geen rol mag spelen; onafhankelijk bewijs dat hetzelfde verband legt, verhoogt immers ook de kans dat de inhoud van de getuigenverklaring waar is. Maar het heeft zijn werk bij gezichtspunt (2) mogelijk al gedaan en kan bij gezichtspunt (3) punt (ii) in dat geval niet opnieuw ten volle meetellen. Bij gezichtspunt (3) punt (ii) gaat het in de eerste plaats om accessoir bewijs: bewijs waarmee de betrouwbaarheid van de verklaring op de betwiste punten op een andere wijze dan door ondervraging kan worden getoetst.
De bespreking van het derde middel
41. Zoals gezegd worden met het middel drie oordelen bestreden:
(a) niet valt te verwachten dat [betrokkene 2] binnen een aanvaardbare termijn zal kunnen worden gehoord;
(b) ondanks dat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest [betrokkene 2] te horen, is het proces als geheel eerlijk geweest;
(c) [betrokkene 1] heeft geen belastende verklaring afgelegd.
Voor de bespreking van de klachten roep ik mijn beschrijving van de bewijsvoering (randnummers 3, 4 en 5 hierboven) in herinnering. Ik begin bij de klacht over het oordeel onder (c).
De deelklacht over het oordeel dat [betrokkene 1] geen belastende getuige betreft
42. Het hof heeft het verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 1] afgewezen en daartoe overwogen dat “er geen sprake [is] van een belastende getuige, maar enkel van bevindingen met betrekking tot de getuige.” In de aanvulling op het bestreden arrest is onder bewijsmiddel 3, een proces-verbaal van bevindingen, opgenomen dat de verbalisant uit een e-mail heeft vernomen dat [betrokkene 1] door de politie in [plaats] is gehoord en dat hij, [betrokkene 1] , heeft verklaard dat hij zijn pinpas had uitgeleend aan een vroegere vriend, [betrokkene 2] (hierboven omschreven onder randnummer 4).
43. Indien met de stellers van het middel zou moeten worden aangenomen dat het hof op deze wijze voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van de verklaring van [betrokkene 1] , dan zou [betrokkene 1] (inderdaad) hebben te gelden als een getuige die belastend heeft verklaard. Zijn onder de bewijsmiddelen opgenomen verklaring legt weliswaar geen rechtstreeks verband tussen zijn, [betrokkene 1] , pinpas en het gebruik ervan door de verdachte, maar zijn verklaring legt wel een klein schakeltje in dat verband, namelijk tussen hem en zijn vroegere vriend [betrokkene 2] , aan wie hij zijn pinpas had uitgeleend.
44. Wat hier ook van zij, voor cassatie bestaat geen reden. De verklaring van [betrokkene 1] , indien al tot het bewijs gebruikt, is duidelijk redundant en (dus) insignificant. Ik verwijs voor de redundantie van de verklaring niet naar de verklaring van [betrokkene 2] die het verband tussen de pinpas van [betrokkene 1] en het gebruik ervan door de verdachte óók en wel meer volledig legt. Ik verwijs daar niet naar omdat [betrokkene 2] evenmin door de verdediging is kunnen worden ondervraagd. Echter, reeds uit het door mij onder randnummer 3 omschreven bewijsmateriaal kan (‘parallel’ aan de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] ) worden afgeleid dat de verdachte met gebruikmaking van de pinpas van [betrokkene 1] het door de aangever overgemaakte geld heeft opgenomen van de bankrekening van [betrokkene 1] . Als zij al door het hof tot het bewijs is gebruikt, speelt de verklaring van [betrokkene 1] in de bewijsvoering een rol van slechts geringe betekenis.
45. De deelklacht over het oordeel onder (c) faalt.
De deelklacht over het oordeel onder (a), te weten dat niet valt te verwachten dat [betrokkene 2] binnen een aanvaardbare termijn zal kunnen worden gehoord
46. Uit de vaststellingen van het hof kan het volgende worden opgemaakt. Op 10 augustus 2022 heeft de raadsman van de verdachte een appelschriftuur ingediend en daarin onder meer verzocht om [betrokkene 2] en [betrokkene 1] als getuigen te horen. Op 3 juli 2023 heeft de poortraadsheer het verzoek om [betrokkene 2] als getuige te horen toegewezen. Uit de processen-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 23 januari 2024, 9 februari 2024 en 23 februari 2024 volgt dat meerdere keren is geprobeerd getuige [betrokkene 2] te horen en dat daarvoor ook twee keer een bevel medebrenging is afgegeven, maar dat de getuige steeds niet op zijn GBA-adres werd aangetroffen. Ook op andere mogelijke verblijfsadressen trof de politie de getuige niet aan. Aangezien het niet is gelukt getuige [betrokkene 2] te horen, heeft de raadsman het verzoek ter terechtzitting in hoger beroep herhaald. Tijdens de inhoudelijke behandeling in hoger beroep op 23 mei 2024 is geen nieuwe informatie over de vindplaats van de getuige naar voren gekomen.
47. Op enig moment tussen 23 februari 2024 en 23 mei 2024 heeft getuige [betrokkene 2] contact opgenomen met het kabinet van de raadsheer-commissaris om aan te geven dat hij niet voornemens is aan welke oproep dan ook gehoor te geven en dat hij niet bereid is om antwoord te geven op vragen. Gelet op al deze bevindingen en het feit dat op de terechtzitting in hoger beroep geen nieuwe informatie over de vindplaats van de getuige naar voren is gekomen, valt volgens het hof niet te verwachten dat de getuige binnen aanvaardbare termijn zal kunnen worden gehoord.
48. Dat oordeel is op zichzelf niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd. Het hof is uitdrukkelijk ingegaan op de inspanningen die − door de raadsheer-commissaris en de politie − zijn verricht om een ondervragingsmogelijkheid te realiseren. Niet valt in te zien welke aanknopingspunten voor het vinden van de getuige nog hadden kunnen worden aangegrepen. De in cassatie betrokken stelling dat de getuige “recent wel traceerbaar is geweest” is ontbloot van onderbouwing en zegt (indien juist) niet heel veel over de vraag of dat nogmaals zou kunnen lukken.
49. Verder heeft het hof melding gemaakt van het contact tussen [betrokkene 2] en het kabinet van de raadsheer-commissaris. Hoewel hieruit kan worden begrepen dat [betrokkene 2] zich voor justitie onvindbaar houdt, heeft het hof deze vaststelling (ofschoon dat had gekund als het hof dit punt op zitting uitdrukkelijk met de verdediging zou hebben besproken) niet zelfstandig ten grondslag gelegd aan zijn oordeel dat niet valt te verwachten dat [betrokkene 2] binnen een aanvaardbare termijn zal kunnen worden gehoord.
50. De deelklacht tegen het oordeel onder (a) faalt.
De deelklacht tegen het oordeel onder (b), de eerlijkheid van het proces als geheel
51. Het hof heeft aandacht besteed aan de vraag of de procedure als geheel ‘eerlijk’ is geweest in de zin van artikel 6 EVRM, ondanks dat de verdediging niet in de gelegenheid kon worden gesteld om de getuige [betrokkene 2] te ondervragen. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend op de (enkele) grond dat de verklaring van [betrokkene 2] voor het bewijsoordeel niet heeft te gelden als sole or decisive. Het hof verwijst daartoe naar het bewijsmateriaal dat ik onder de randnummers 3 en 5 hierboven heb samengevat.
52. De klacht dat het hof ook de andere gezichtspunten van de driestappentoets had moeten bespreken, is terecht voorgesteld. De enkele vaststelling dat de verklaring van [betrokkene 2] niet heeft te gelden als sole or decisive voor het bewijsoordeel is niet toereikend. Het hof gaat voorbij aan de (hierboven besproken) meer recente rechtspraak van het EHRM en de Hoge Raad. Valt uit het oordeel onder (a) nog wel af te leiden dat er naar ’s hofs opvatting een aanvaardbare reden was waarom de getuige [betrokkene 2] niet door de verdediging kon worden ondervraagd, het hof heeft met name onbesproken gelaten in welke mate de verklaring van [betrokkene 2] heeft bijgedragen aan het bewijsoordeel (gezichtspunt (2)) en welke compenserende factoren het bij de beoordeling van de eerlijkheid van het strafproces als geheel in aanmerking heeft genomen (gezichtspunt (3)).
53. Ik meen echter dat de klacht, hoewel terecht voorgesteld, niet tot cassatie hoeft te leiden. Daartoe loop ik zelf aan de hand van het bestreden arrest de gezichtspunten van de driestappentoets langs.
54. Nu de deelklacht tegen het oordeel onder (a) moet falen, mag in cassatie worden aangenomen dat er een aanvaardbare reden was waarom de getuige [betrokkene 2] niet door de verdediging kon worden ondervraagd.
55. Wat betreft het gewicht van de verklaring van [betrokkene 2] in de bewijsconstructie heeft het hof in elk geval (in cassatie onweersproken) vastgesteld dat die verklaring voor het bewijsoordeel niet doorslaggevend was. Het materiaal onder de randnummers 3 en 5 is voor de bewezenverklaring toereikend, aldus oordeelde het hof.
56. Ik wil nog wel iets verder gaan dan dat, en opmerken dat de mate waarin de verklaring van [betrokkene 2] de bewijsconstructie versterkt klaarblijkelijk betrekkelijk beperkt is. In die zin kan de onderwerpelijke getuigenverklaring ook wel als overbodig worden aangemerkt, althans steunt het bewijsoordeel niet in overwegende mate op deze verklaring. Op welke wijze de verdachte precies aan de pinpas van [betrokkene 1] is gekomen, is voor het bewijs van het witwassen immers niet van wezenlijk belang. Waar het om gaat is dat de verdachte heeft gepind met de pinpas van [betrokkene 1] en dat hij zich daarmee op georkestreerde wijze toegang heeft verschaft tot het geld dat de opgelichte aangever zeer kort daarvoor op de rekening van [betrokkene 1] had gestort. Die gevolgtrekking kan geheel worden gebaseerd op het door mij onder randnummer 3 geschetste bewijsmateriaal.
57. Waar het gaat om steunbewijs dat de verklaring van [betrokkene 2] verankert (ik doel op het steunbewijs van gezichtspunt (3) punt (ii)), merk ik op dat het bewijsmateriaal dat ik onder randnummer 3 heb besproken de verklaring van [betrokkene 2] voor wat betreft verdachte’s bezit van de pinpas van [betrokkene 1] meer betrouwbaar maakt. Die getuigenverklaring staat daarmee immers niet op zichzelf, maar vindt bevestiging in de onderzoeksresultaten. Het probleem is echter dat ik dit bewijsmateriaal reeds in ogenschouw heb genomen ter onderbouwing van mijn opvatting dat het bewijsoordeel van het hof niet in overwegende mate steunt op de inhoud van de verklaring van [betrokkene 2] . In het kader van gezichtspunt (3) laat ik dit steunbewijs dus buiten beschouwing. Daarmee heeft het hof, als ik het goed zie, de verdediging geen compensatie geboden voor het ontbreken van een gelegenheid om [betrokkene 2] te ondervragen.
58. Tot cassatie hoeft dit in deze zaak echter niet te leiden. Door de aanwezigheid van een good reason waarom het ondervragingsrecht niet kon worden gerealiseerd en doordat het bewijsoordeel niet in overwegende mate steunt op de getuigenverklaring van [betrokkene 2] kan het proces wel degelijk − dus ook zonder compenserende factoren − door de Straatsburgse hoepel. Ook in zoverre faalt het middel.
Slotsom
59. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
60. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat de redelijke termijn in cassatie is overschreden. Gelet op de opgelegde gevangenisstraf van twee weken onvoorwaardelijk kan worden volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Verder heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
61. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG