Strafrecht overig

Conclusie AG. Witwassen (WhatsAppfraude). Verdachte heeft geld gepind waarop het slo geld had gestort…

Parket bij de Hoge Raad, 6 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 6 oktober 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
6 oktober 2026
Datum publicatie
5 oktober 2026
Zaaknummer
24/02348
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:971
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Conclusie AG. Witwassen (WhatsAppfraude). Verdachte heeft geld gepind waarop het slo geld had gestort. Middelen over te weinig gespecificeerde tenlastelegging, bewijs van het pinnen en over het niet kunnen ondervragen van Keskin-getuige. Hof had de oproeping van de getuige afgewezen op de grond dat de getuigenverklaring niet doorslaggevend was voor het bewijs. Beschouwingen over Keskin en de driestappentoets, met name over steunbewijs als compenserende factor en dubbeltelling van steunbewijs. De conclusie strekt tot verwerping.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer24/02348

Zitting 6 oktober 2026

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,

hierna: de verdachte

Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 6 juni 2024 (parketnr. 21-003227-22) door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens "witwassen, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot het bedrag van € 1.940,00 en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M.J. van Berlo, R.J. Baumgardt en B.P.L. de Vries, allen advocaat in Rotterdam, hebben drie middelen van cassatie voorgesteld.

De bewijsvoering: waarover gaat deze zaak?

3. De zaak betreft een geval van WhatsAppfraude, ook wel genoemd: ‘hoi mam’-fraude. Het hof heeft blijkens de bewijsmiddelen vastgesteld dat de aangever, [aangever] , op 20 juli 2018 in WhatsAppberichten van iemand die zich voordeed als zijn broer het dringende verzoek kreeg om geld over te maken naar de bankrekening van [betrokkene 1] . [aangever] heeft aan deze verzoeken gevolg gegeven en (om 23:47 uur die dag) in twee tranches iets meer dan € 1940 gestort op de rekening van [betrokkene 1] . Daarop zijn om 23:52 uur en 23:54 uur bij de Rabobank in [plaats] en om 23:59 uur (tweemaal), 00:00 uur en 00:02 uur bij het casino in [plaats] zes bedragen van in totaal € 1940 gepind met de bankpas en vanaf de bankrekening van [betrokkene 1] . Twee verbalisanten hebben ieder afzonderlijk van stills van camerabeelden van de pinautomaat van de Rabobank de verdachte herkend als degene die daar tweemaal pinde.

4. [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij zijn rekening en pasje beschikbaar had gesteld aan [betrokkene 2] . [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij was benaderd door de verdachte met het voorstel om snel geld te verdienen, waartoe hij zijn rekening en pinpas ter beschikking zou moeten stellen. Op die rekening zou volgens de verdachte geld worden gestort, waarvan [betrokkene 2] een deel zou mogen houden. Daarna heeft hij, [betrokkene 2] , een bekende van hem, [betrokkene 1] , benaderd met het verzoek om zijn ( [betrokkene 1] ) rekening en pinpas ter beschikking te stellen. Daarmee ging [betrokkene 1] akkoord. [betrokkene 2] herkende de verdachte op (naar ik begrijp) de genoemde stills.

5. De verdachte is op 18 april 2019 in [plaats] bij gelegenheid van een mogelijke pinpasfraude aangehouden, in het bezit van twee bankpasjes die (naar ik van het hof begrijp) niet van hem waren.

Het eerste middel

6. Het eerste middel komt op tegen de verwerping van een verweer over de nietigheid van de dagvaarding wegens strijd met de eisen van artikel 261 Sv (ontoereikende specificatie).

De relevante delen van de processtukken

7. Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

“hij, op of omstreeks 20 juli 2018, te [plaats] , gemeente [plaats] en/of te [plaats] , in elk geval in Nederland, een voorwerp, te weten een of meerdere geldbedragen (te weten een totaalbedrag van 1900 euro), heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van een voorwerp, te weten een of meerdere geldbedragen (te weten een totaalbedrag van 1900 euro) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.”

8. Het hof oordeelt ten aanzien van het verweer van de verdediging over de tenlastelegging is als volgt:

“De omschrijving van hetgeen verdachte in de tenlastelegging wordt verweten, tegen de achtergrond van het procesdossier bezien, is voldoende specifiek en het is de verdediging, gelet op het proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, voldoende duidelijk waartegen verdachte zich moet verdedigen. Daarbij overweegt het hof als volgt. De bedragen in het op pagina 31 van het dossier opgenomen overzicht met bankafschriften van de rekening van [betrokkene 1] leveren bij elkaar opgeteld een totaalbedrag van € 1.900,00 op. In samenhang met de overige stukken in het procesdossier moet het voor de verdediging dan ook voldoende duidelijk zijn geweest dat de verdenking ziet op de in dit overzicht genoemde geldbedragen. Dat in werkelijkheid een bedrag van (in totaal) € 1.940,00 van de rekening van [betrokkene 1] is gepind, doet aan het voorgaande niets af, nu uit pagina’s 14 en 32 van het dossier klaarblijkelijk volgt dat het op pagina 31 van het dossier genoemde bedrag van € 400,00 een kennelijke verschrijving is en dat hier € 440,00 had moeten staan. Tot slot is ook gelet op de inhoud van de pleitnota niet gebleken dat het voor de verdediging niet duidelijk was tegen welke verdenking verdachte zich moet verdedigen. Onder punt 13 van de pleitnota heeft de raadsman immers aangegeven dat hij er van uitgaat dat de verdenking ziet op het van de rekening van [betrokkene 1] gepinde (totaal)bedrag van € 1.940,00.

De dagvaarding voldoet dan ook aan de eisen van artikel 261 Sv, zodat van nietigheid geen sprake is. Het hof verwerpt het verweer.”

Een nadere omschrijving van het eerste middel

9. Het hof heeft overwogen dat het voor de verdediging, gelet op de pleitnota, voldoende duidelijk was waartegen zij zich moest verdedigen. Deze overweging doet volgens de stellers van het middel de inhoud van het verweer tekort, aangezien uitdrukkelijk is aangevoerd dat in het dossier ook bewijsmiddelen zijn opgenomen waarin andere ten laste gelegde (mogelijke) pleegplaatsen en bankrekeningen van andere aangevers zijn vermeld, terwijl nergens een bedrag van € 1.900,- is genoemd.

Het beoordelingskader

10. Eén van de functies van de tenlastelegging is dat de verdachte wordt meegedeeld voor welk voorval hij moet terechtstaan, zodat hij weet waartegen hij zich heeft te verdedigen. Daarmee heeft de tenlastelegging een informatiefunctie jegens de verdachte. De andere functie van de tenlastelegging is dat de rechter moet weten welk verwijt de verdachte wordt gemaakt. Artikel 261 Sv bevat minimumeisen voor de tenlastelegging. De taak van de tenlastelegging is opgave te doen van de verweten gedraging, alsmede van de tijd en plaats ervan. De vraag of die opgave juist is en of de gedraging strafbaar is, raakt niet aan de hier bedoelde informatiefunctie van de tenlastelegging. Als de vermelding van de gedraging, tijd en/of plaats onjuist is of de gedraging niet-strafbaar is, kan de tenlastelegging nog steeds fungeren als grondslag voor een terechtzitting; een dagvaarding met een dergelijke tenlastelegging is daarom geldig.

11. Voor de Hoge Raad is van belang dat de tenlastelegging als geheel voldoende duidelijk is en dat er voor de verdachte geen onduidelijkheid bestaat over de vraag op welk moment en waar hij de gestelde gedraging zou hebben verricht. In het geval dat de verdachte met een grote frequentie delicten heeft gepleegd zal de tenlastelegging specifieker moeten zijn. De Hoge Raad laat de eisen die hij stelt aan de specificatie van tijd en plaats afhangen van de context van de feiten en het soort delict. Bij de beoordeling of de tenlastelegging voldoet aan de eisen van artikel 261 mag de rechter de inhoud van het dossier betrekken.

De bespreking van het eerste middel

12. Bij het oordeel dat de tenlastelegging voldoende specifiek is en dat het de verdediging voldoende duidelijk is waartegen de verdachte zich moet verdedigen, heeft het hof de inhoud van het procesdossier betrokken. Dat dossier geeft op basis van de bewijsmiddelen blijk van slechts één aangever ( [aangever] ), waardoor ik de stellers van het middel niet volg op het punt dat het dossier ook bewijsmiddelen bevat waarin bankrekeningen van andere aangevers zijn vermeld. Ten aanzien van het gepinde bedrag heeft het hof geoordeeld dat het bij het bedrag van € 1900 gaat om een kennelijke verschrijving (in werkelijkheid is € 1940 gepind). Dit oordeel is, gelet op de inhoud van het dossier, niet onbegrijpelijk. Tot slot heeft het hof bij zijn oordeel betrokken dat ook uit de inhoud van de pleitnota niet is gebleken dat het voor de verdediging onduidelijk was waartegen de verdachte zich moest verdedigen.

13. Gelet op het bovenstaande geeft het oordeel dat de dagvaarding voldoet aan de eisen van artikel 261 Sv geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd. Het middel faalt.

Het tweede middel

14. Het tweede middel betreft de bewezenverklaring van het pinnen bij casino [A] in [plaats] .

De relevante processuele feiten

15. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“Hij op of omstreeks 20 juli 2018 te [plaats] , in elk geval in Nederland, voorwerpen, te weten meerdere geldbedragen heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl hij wist dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.”

16. De overwegingen van het hof met betrekking tot het bewijs van het pinnen bij casino [A] zijn als volgt:

“Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Daarbij overweegt het hof in het bijzonder als volgt.

(…)

De beoordeling

Aangever is via WhatsApp benaderd door een persoon die zich voordeed als een familielid dat in financiële nood verkeerde. Aangever heeft daarom op verzoek van die persoon meerdere geldbedragen overgemaakt. Om 23:47 uur heeft aangever geldbedragen van € 976,65 en € 966,23 overgemaakt naar de bankrekening van [betrokkene 1] . Om 23:52 uur is een bedrag van € 800,00 van de rekening van [betrokkene 1] gepind bij een geldautomaat van De Rabobank in [plaats] . Twee minuten later, om 23:54 uur is een bedrag van € 440,00 van die rekening gehaald. Beide geldbedragen werden door dezelfde persoon gepind. Het hof heeft hiervoor reeds geconstateerd dat verdachte die persoon was. Vervolgens is tussen 23:59 uur en 0:02 uur nog vier keer met de bankpas van [betrokkene 1] gepind voor (in totaal) een bedrag van € 700,00. Dit keer werden de bedragen gepind bij casino [A] , eveneens in [plaats] . Het hof stelt vast dat verdachte ook de persoon moet zijn geweest die deze geldbedragen heeft gepind, nu het geld vrijwel direct werd gepind nadat verdachte bij de Rabobank geld van de rekening van [betrokkene 1] had gehaald. Er is bovendien geen enkele indicatie dat de bankpas slechts enkele minuten daarna niet meer in handen was van verdachte. Het enkele feit dat [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij de bankpas van [betrokkene 1] aan verdachte had gegeven en dat hij via [betrokkene 3] in contact met verdachte was gekomen, maakt dat niet anders. Het dossier bevat immers geen aanwijzingen dat één van hen met de bankpas van [betrokkene 1] heeft gepind, terwijl uit het dossier wel volgt dat verdachte geld van die rekening heeft gehaald. Het hof komt dan ook tot de conclusie dat verdachte op 20 juli 2018 (en enkele minuten na middernacht op 21 juli 2018) in totaal € 1.940,00 van de bankrekening van [betrokkene 1] heeft gepind.

(…)

Conclusie

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 20 juli 2018 schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van (in totaal) € 1.940,00.”

Een nadere omschrijving van het tweede middel

17. De stellers van het middel stellen zich op het standpunt dat de bewijsvoering omtrent het pinnen van (in totaal) € 700,- bij casino [A] door de verdachte niet toereikend is nu daarvan onder de bewijsmiddelen geen camerabeelden zijn opgenomen. De omstandigheden die het hof wel bij de bewijsvoering heeft betrokken, zijn niet toereikend.

De bespreking van het tweede middel

18. In cassatie staat niet ter discussie dat de verdachte de persoon is geweest die, kort nadat de aangever om 23:47 uur geldbedragen naar de rekening van [betrokkene 1] had overgemaakt, van die rekening om 23:52 uur en 23:54 uur bij een geldautomaat van de Rabobank in [plaats] twee bedragen van in totaal € 1240,- heeft gepind. Vervolgens is tussen 23:59 uur en 00:02 uur nog vier keer (in totaal € 700,-) gepind van diezelfde rekening bij casino [A] eveneens in [plaats] . De vraag die voorligt is of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte niet alleen bij de Rabobank maar ook bij het casino gebruik heeft gemaakt van de pinpas van [betrokkene 1] . Voor het hof was doorslaggevend dat de pintransacties bij (eerst) de Rabobank en (daarna) het casino achtereenvolgens hebben plaatsgevonden binnen een zeer korte tijdsbestek. Bij de gevolgtrekking dat de verdachte ook bij het casino van de pinpas van [betrokkene 1] gebruik heeft gemaakt, heeft het hof betekenis toegekend aan de omstandigheid dat het dossier geen aanwijzingen bevat dat iemand anders met de bankpas van [betrokkene 1] heeft gepind.

19. De gevolgtrekking dat de verdachte niet alleen bij de Rabobank, maar ook bij het casino heeft gepind, heeft het hof bij deze stand van zaken m.i. kunnen maken. Ook dit middel faalt.

Het derde middel

20. Het laatste middel bevat klachten over het uitblijven van een gelegenheid om de getuigen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] te ondervragen, ondanks dat de verdediging om dit verhoor had verzocht. Met name wordt met dit middel met rechts- en motiveringsklachten opgekomen tegen de volgende oordelen:

(a) niet valt te verwachten dat [betrokkene 2] binnen een aanvaardbare termijn zal kunnen worden gehoord;

(b) ondanks dat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest [betrokkene 2] te horen, is het proces als geheel eerlijk geweest;

(c) [betrokkene 1] heeft geen belastende verklaring afgelegd.

Relevante processuele feiten

21. Het hof heeft het volgende overwogen:

“De door [betrokkene 2] afgelegde verklaringen

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat de door [betrokkene 2] tijdens het politieverhoor afgelegde verklaringen kunnen bijdragen aan het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd. De verklaringen sluiten immers onmiskenbaar aan bij de overige bewijsmiddelen in het dossier. Het hof ziet dan ook geen redenen om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen te twijfelen. Het enkele feit dat [betrokkene 2] als verdachte is gehoord doet daar niets aan af. Bovendien heeft [betrokkene 2] niet alleen belastend verklaard over verdachte, maar ook ten aanzien van zichzelf.

Bij appelschriftuur heeft de verdediging verzocht [betrokkene 2] als getuige te horen. Op 3 juli 2023 heeft de poortraadsheer het verzoek toegewezen. Aangezien het niet is gelukt de getuige te horen, heeft de raadsman het verzoek ter terechtzitting in hoger beroep herhaald. Het hof overweegt ten aanzien van het getuigenverzoek als volgt. Uit de processen-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 23 januari 2024, 9 februari 2024 en 23 februari 2024 volgt dat meerdere keren is getracht de getuige te horen en dat daarvoor ook twee keer een bevel medebrenging is afgegeven, maar dat de getuige steeds niet op zijn GBA-adres werd aangetroffen. Ook op andere mogelijke verblijfsadressen trof de politie de getuige niet aan. Naar aanleiding van de pogingen van de politie om het bevel medebrenging te effectueren heeft de getuige contact opgenomen met het kabinet raadsheer-commissaris om aan te geven dat hij niet voornemens is aan welke oproep dan ook gehoor te geven en dat hij niet bereid is om antwoord te geven op vragen. Gelet op deze bevindingen, en aangezien op de terechtzitting in hoger beroep geen nieuwe informatie over de vindplaats van de getuige naar voren is gekomen, is het hof van oordeel dat niet te verwachten valt dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn zal kunnen worden gehoord. Het hof wijst het getuigenverzoek dan ook af.

De raadsman heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de verklaringen van [betrokkene 2] dienen te worden uitgesloten van het bewijs, omdat het in artikel 6, derde lid, onder d van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) verankerde ondervragingsrecht is geschonden. De verdediging heeft [betrokkene 2] immers niet kunnen ondervragen en daarvoor is geen compensatie geboden, terwijl de verklaring van [betrokkene 2] volgens de verdediging wel ‘sole and decisive’ is. Het hof is het niet eens met de raadsman en overweegt daartoe als volgt. Naar het oordeel van het hof kunnen de verklaringen van [betrokkene 2] in het licht van de andere bewijsmiddelen niet als ‘sole or decisive' worden beschouwd in de bewijsconstructie die de basis vormt van de veroordeling. Naast de tegenover de politie door deze getuige afgelegde verklaringen bevat het dossier immers (stills van) camerabeelden waarop verdachte is herkend (zie ook hierna) en het proces-verbaal van bevindingen waaruit volgt dat verdachte eerder is aangehouden toen hij met meerdere bankpasjes die niet van hem waren aan het pinnen was. Nu de verklaring van [betrokkene 2] bij de politie niet ‘sole or to a decisive degree’, dus in doorslaggevende mate, bijdraagt aan het bewijs, kan deze worden gebezigd tot het bewijs, ondanks de vaststelling dat de verdediging het ondervragingsrecht niet heeft kunnen uitoefenen. Gelet op de pogingen om de getuige te horen acht het hof de strafprocedure in eerste aanleg en in hoger beroep, achteraf en over het geheel beschouwd, eerlijk in de zin van artikel 6 EVRM. Het hof verwerpt dan ook het verweer en komt tot de conclusie dat de door [betrokkene 2] afgelegde verklaringen voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

Het verzoek tot het horen van [betrokkene 1] als getuige

Bij appelschriftuur heeft de verdediging eveneens verzocht [betrokkene 1] als getuige te horen. Op 3 juli 2023 heeft de poortraadsheer te kennen gegeven vooralsnog daarvoor geen aanleiding te zien. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman het getuigenverzoek herhaald. Het hof stelt allereerst vast dat het verdedigingsbelang van toepassing is als maatstaf om het verzoek aan te toetsen, aangezien het getuigenverzoek is ingediend binnen de termijn van veertien dagen na het instellen van het appel als bedoeld in artikel 410 van het Wetboek van Strafvordering. Naar het oordeel van het hof is onvoldoende gemotiveerd waarom het horen van [betrokkene 1] in het belang van de verdediging is. Het hof wijst het getuigenverzoek dan ook af. Daarbij overweegt het hof ook dat de Keskin-uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM 19 januari 2021, nr. 2205/16 (Keskin tegen Nederland)) en in navolging daarvan de rechtspraak van de Hoge Raad over het horen van belastende getuigen niet in de weg staan aan de afwijzing van het verzoek. Er is immers geen sprake van een belastende getuige, maar enkel van bevindingen met betrekking tot de getuige, te weten de zich in het dossier bevindende bankafschriften van [betrokkene 1] en de verklaringen van [betrokkene 2] dat hij de bankpas van [betrokkene 1] aan verdachte heeft gegeven. Zoals hierna wordt overwogen blijkt evenwel reeds uit de zich in het dossier bevindende (stills van) camerabeelden dat verdachte de pinpas van [betrokkene 1] voorhanden heeft gehad, zodat [betrokkene 1] hierover niet hoeft te worden gehoord.”

Het beoordelingskader: het ondervragingsrecht en de eerlijkheid van het strafproces

Het ondervragingsrecht

22. Volgens rechtspraak van het EHRM verankert artikel 6 lid 1 en lid 3 onder d EVRM de aanspraak dat al het bewijs dat de rechter ter onderbouwing van een veroordeling gebruikt − met het oog op de mogelijkheid van tegenspraak − in verdachte’s aanwezigheid op een openbare terechtzitting wordt geleverd en onderzocht. Wanneer de rechter de verklaring van een getuige ten laste van de verdachte voor het bewijs gebruikt, brengt deze aanspraak mee dat de verdediging de gelegenheid moet hebben (gehad) de getuige ter terechtzitting te ondervragen en zijn verklaring te bestrijden. Uitzonderingen op deze regel zijn toelaatbaar zolang verdachte’s verdedigingsrechten niet in het gedrang komen. Dit vergt in beginsel dat de verdediging op enig moment gedurende de procedure een adequate en behoorlijke gelegenheid heeft (gehad) om de getuige rechtstreeks te ondervragen en zijn verklaring te betwisten.

23. Anders dan bij een verzoek tot de oproeping ter terechtzitting van een getuige à decharge, hoeft de verdediging geen onderbouwing te geven van haar belang bij de ondervraging van een getuige die al een belastende verklaring heeft afgelegd en die de verdediging nog niet heeft kunnen ondervragen, zo oordeelde het EHRM in zijn Keskin-uitspraak van 19 januari 2021 en in het vervolg hierop ook de Hoge Raad. In het verlengde hiervan ligt dat de rechter een verzoek tot de oproeping van zo’n getuige à charge, niet kan afwijzen op de enkele grond dat het verzoek niet of niet naar behoren is onderbouwd.

24. Op grond van artikel 288 lid 1 sub a Sv kan de rechter een verzoek tot het horen van een getuige afwijzen als het naar zijn oordeel “onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen”. Deze bepaling leent zich voor toepassing als een getuige niet traceerbaar is of als te verwachten valt dat de getuige pas na verloop van lange tijd kan worden gehoord.

25. Bij de toets van de begrijpelijkheid van het oordeel dat onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen, slaat de Hoge Raad acht op de mate van inspanning die de justitiële autoriteiten zich hebben getroost om de getuige te traceren. In het bijzonder mag van de politie worden verwacht dat zij actief op zoek gaat naar de getuige en daarbij gebruikmaakt van alle haar ten dienste staande informatiesystemen. Op het moment dat de rechter afziet van het horen van de getuige op grond van artikel 288 lid 1 sub a Sv kan het tijdsverloop tussen de laatste poging om de getuige te vinden en de inhoudelijke behandeling van de zaak van belang zijn.

26. De mogelijkheid om op grond van artikel 288 lid 1 sub a Sv af te zien van het oproepen van een getuige laat echter onverlet dat de rechter, voordat hij uitspraak doet, zich ervan dient te vergewissen dat de procedure als geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Hierop ziet − in aanvulling op de nationale rechter ook − het EHRM toe.

De driestappentoets

27. Aangezien het oordeel over de toelaatbaarheid, de relevantie en de waardering van het bewijs toekomt aan de nationale rechter, houdt het EHRM in dit verband vooral toezicht op de vraag of het strafproces in z’n geheel beschouwd, met inbegrip van de wijze waarop het door de rechter gebruikte bewijs is verkregen, ‘eerlijk’ is verlopen. Met andere woorden: het EHRM toetst the overall fairness of the trial.Wanneer het EHRM wordt geroepen om te oordelen over de klacht dat de verdediging niet in de gelegenheid is gesteld om een getuige wiens verklaring door de rechter voor het bewijs is gebruikt op de terechtzitting te ondervragen, betrekt het EHRM bij zijn toets aan artikel 6 lid 1 en lid 3 sub d EVRM de volgende drie gezichtspunten die in onderling verband met elkaar moeten worden beschouwd:

(1) de reden waarom het ondervragingsrecht niet kon worden uitgeoefend,

(2) het gewicht van de getuigenverklaring in de bewijsvoering, en

(3) het bestaan van compenserende factoren, met inbegrip van procedurele waarborgen, die de door de verdediging ondervonden beperkingen in voldoende mate ondervangen.

28. Wil de rechter voor het bewijs gebruikmaken van de verklaring van een getuige die de verdediging niet heeft kunnen ondervragen, dan zal hij als primair verantwoordelijke voor de handhaving van de op artikel 6 EVRM gebaseerde aanspraken deze driestappentoets moeten uitvoeren. Het definitieve oordeel daarover kan pas bij de einduitspraak worden gegeven; bij de beslissing op het getuigenverzoek kan de rechter volstaan met een voorlopig oordeel over het gewicht van de verklaring.

Gezichtspunt (1): de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend, in het bijzonder vanwege de onvindbaarheid van de getuige

29. De vraag of de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend aanvaardbaar is, houdt nauw verband met de vraag of de door de rechter opgegeven gronden voor de vaststelling dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen, voldoen. Als het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend, mag dat niet te wijten zijn aan de justitiële autoriteiten. Bij de beoordeling van “the witness’s absence owing to unreachability” slaat (ook) het EHRM acht op de mate van inspanning die de justitiële autoriteiten hebben verricht om de getuige te traceren. Alle aanknopingspunten om de getuige te vinden en alle redelijkerwijze ter beschikking staande middelen moeten worden benut.Ingeval een getuige zich echter aan justitie onttrekt en zich onvindbaar houdt, kan van de nationale rechter niet worden verwacht dat hij naar de vindplaats van de getuige onderzoek doet in aanvulling op de inspanningen die de autoriteiten met behulp van de wettelijke mogelijkheden om de getuige te achterhalen al hebben verricht; de rechter moet dan wel vaststellen dat de getuige zich aan justitie onttrekt en de verdediging op die vaststelling laten reageren.

Gezichtspunt (2): steunbewijs

30. Bij de driestappentoets is (ook) gezichtspunt (2), het gewicht van de getuigenverklaring in de bewijsvoering, een belangrijke beoordelingsfactor. De mate waarin de bewezenverklaring steunt op de verklaring van een niet door de verdediging ondervraagde getuige à charge staat in omgekeerd evenredig verband met de mate waarin die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het benodigde steunbewijs moet betrekking hebben op die onderdelen van de getuigenverklaring die de verdachte betwist. Of dat steunbewijs aanwezig is, wordt mede bepaald door het gewicht van de getuigenverklaring in het licht van de bewijsvoering als geheel. Het ‘gewicht van de getuigenverklaring’ is een gradueel begrip: het gaat om de mate waarin die verklaring de bewijskracht van de gehele bewijsconstructie versterkt.

31. Voor de Hoge Raad is de rubricering in gewichtsklassen als ‘sole or decisive’ en ‘(not of in)significant weight’ daarbij niet van doorslaggevend belang voor de vraag of wegens het ontbreken van een gelegenheid tot ondervraging van de getuige compensatie moet worden geboden. Ik citeer de Hoge Raad: “Naarmate het gewicht van de verklaring van de getuige groter is, is het — wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt — des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan.” Dat een dergelijk kompas weinig richtinggevend is, laat ik verder rusten.

32. Een schending van artikel 6 EVRM zal zich in de regel niet voordoen indien de getuigenverklaring in de bewijsvoering slechts van zeer ondergeschikte betekenis of overbodig (‘manifestly irrelevant or redundant’) is. Is de getuigenverklaring echter van méér dan ondergeschikte betekenis, dan zal het EHRM, bezien in onderling verband, beoordelen of de reden waarom de getuige niet ter terechtzitting is ondervraagd, aanvaardbaar is (gezichtspunt (1): ‘a good reason’?) en acht slaan op de mate waarin de verdediging voor het gebrek in de bewijslevering compensatie is geboden (gezichtspunt (3): ‘sufficient counterbalancing factors’?), waarbij die compensatie zwaarder moet wegen naarmate de verklaring meer gewicht heeft.

Gezichtspunt (3): compenserende factoren

33. Voor gezichtspunt (3) zijn relevant de punten (i) of de rechter behoedzaam is omgegaan met de getuigenverklaring in kwestie en of hij zijn oordeel over de betrouwbaarheid ervan heeft onderbouwd, (ii) of er voor de ongetoetste getuigenverklaring steunbewijs is waarmee de betrouwbaarheid ervan kan worden getoetst, en (iii) of er krachtige procedurele maatregelen (‘strong procedural safeguards’) zijn getroffen die het gebrek aan toetsing van de verklaring ter terechtzitting ondervangen.

34. Wat punt (iii) betreft gaat het erom dat de verdediging op een andere wijze dan door de ondervraging van de getuige à charge op een openbare terechtzitting een behoorlijke en effectieve mogelijkheid is geboden om de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid ervan te onderzoeken en aan te vechten. Gezichtspunt (3) punt (iii) van de driestappentoets betreft zodoende de vraag naar een alternatieve wijze waarop de toetsing van de getuigenverklaring is verwezenlijkt en waarmee de verdediging adequaat is tegemoetgekomen.

Gezichtspunt (3) punt (ii): steunbewijs

35. Ik kom terug op gezichtspunt (3) punt (ii) van de driestappentoets, namelijk de vraag of er voor de ongetoetste getuigenverklaring ondersteuning is waarmee de betrouwbaarheid ervan alsnog kan worden onderzocht. Hoe verhoudt die vraag zich tot gezichtspunt (2), waarin ook de vraag aan de orde is of er op het door de verdachte betwiste punt voldoende steunbewijs is voor de verklaring van de niet-ondervraagde getuige à charge?

36. Om die vraag te beantwoorden, zet ik eerst op een rij wat volgens het EHRM en de Hoge Raad onder gezichtspunt (3) punt (ii) als compenserende factor kan gelden. In Schatschaschwili omschrijft het EHRM dit als de beschikbaarheid ter terechtzitting van bewijs dat de ongetoetste verklaring ondersteunt, waaronder: (a) verklaringen ter terechtzitting van personen aan wie de afwezige getuige onmiddellijk na de gebeurtenissen zijn verhaal heeft gedaan, (b) ander feitelijk bewijs met betrekking tot het feit, waaronder forensisch bewijs, (c) deskundigenoordelen over het letsel of de geloofwaardigheid van het slachtoffer, en (d) sterke overeenkomsten tussen de beschrijving van het feit door de afwezige getuige en de beschrijving van een vergelijkbaar feit van dezelfde verdachte door een andere getuige bij wie geen aanwijzing voor collusie bestaat, zeker als die getuige ter terechtzitting is ondervraagd (schakelbewijs). In latere rechtspraak heeft het EHRM aanvaard: (e) de overeenstemming tussen de getuigenverklaring en de sporen en bevindingen op de plaats van het delict, (f) de overeenstemming met de verklaring van een andere getuige die wel door de verdediging is ondervraagd en bij wie collusie niet aannemelijk is (wederom schakelbewijs), en (g) een rechtspsychologisch onderzoek naar de motivatie en de psychologische context waarin de verklaring is afgelegd, ook als het om een volwassen getuige gaat.

37. De Hoge Raad noemt in dit verband (a) verklaringen van personen tegenover wie de getuige kort na de gebeurtenissen zijn of haar verhaal heeft gedaan, (b) verklaringen van personen die anderszins feiten en omstandigheden waarop de getuigenverklaring ziet, kunnen bevestigen, en (c) verklaringen van deskundigen die de totstandkoming en de betrouwbaarheid van de verklaring, dan wel de persoon van de getuige, aan een onderzoek hebben onderworpen. In HR 10 februari 2026 aanvaardde de Hoge Raad als compenserende factoren onder meer dat de verklaring op essentiële onderdelen steun vond in ander bewijs, zoals het onderzoek naar het telefoonverkeer, en dat de getuige op de hoogte was van persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Deze opsommingen brengen bewijs van verschillende aard bijeen.

De verschillen tussen steunbewijs bedoeld in gezichtspunt (2) en in gezichtspunt (3) punt (ii)

38. Ook bij gezichtspunt (3) punt (ii) gaat het dus om steunbewijs voor de verklaring van de niet-ondervraagde getuige. Dat is echter niet zonder meer hetzelfde steunbewijs als bedoeld bij gezichtspunt (2). Om de verschillen tussen de hier aangestipte vormen van steunbewijs te belichten, maak ik onderscheid tussen de begrippen ‘parallel bewijs’ en ‘accessoir bewijs’. Parallel bewijs betreft het geval waarin twee bewijsmiddelen zelfstandig hetzelfde verband leggen. De bewijsmiddelen versterken elkaar, maar kunnen ook zonder elkaar. Accessoir bewijs betreft bewijsmateriaal dat informatie geeft over een ander bewijsmiddel, bijvoorbeeld wat betreft een getuigenverklaring: over de wijze waarop die tot stand is gekomen, over de emoties van de getuige toen hij zijn verhaal deed, over ankerpunten in de getuigenverklaring die in de resultaten van het vooronderzoek op (on)juistheid kunnen worden gecontroleerd, of rechtspsychologische rapportage over de getuigenverklaring in kwestie. Zulk accessoir bewijs is in de bewijsvoering afhankelijk van de getuigenverklaring waarover het bewijs informatie geeft. Wie de getuigenverklaring uit de bewijsvoering wegdenkt, houdt van het parallelle bewijs iets over, van het accessoire bewijs niet. Of een bewijsmiddel het een of het ander is, hangt af van de functie die het in de bewijsvoering vervult, niet van de soort bewijs. Eén bewijsmiddel kan beide functies hebben.

39. Bij gezichtspunt (2) gaat het om de vraag in hoeverre de bewezenverklaring van de getuigenverklaring afhankelijk is. Die afhankelijkheid wordt kleiner door de aanwezigheid van parallel bewijs, voor zover dat onafhankelijk bestaat van de getuigenverklaring. Accessoir bewijs daarentegen maakt de getuigenverklaring betrouwbaarder, maar niet minder onmisbaar. Bij gezichtspunt (3) punt (ii) gaat het om compensatie voor de beperkingen die de verdediging heeft ondervonden bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaring. Daarvoor is accessoir bewijs bij uitstek geschikt.

40. De opsommingen van het EHRM en de Hoge Raad maken het door mij omschreven onderscheid tussen parallel bewijs en accessoir bewijs echter niet. Dat bergt het gevaar van dubbeltelling in zich. Steunbewijs dat al heeft gediend om te betogen dat de verklaring niet beslissend is, en dat daarmee de benodigde mate van compensatie heeft verminderd, wordt vervolgens opnieuw opgevoerd als de compensatie zelf. Ik bepleit niet dat parallel bewijs, zoals het door het EHRM in zijn opsomming genoemde forensisch bewijs, bij gezichtspunt (3) punt (ii) geen rol mag spelen; onafhankelijk bewijs dat hetzelfde verband legt, verhoogt immers ook de kans dat de inhoud van de getuigenverklaring waar is. Maar het heeft zijn werk bij gezichtspunt (2) mogelijk al gedaan en kan bij gezichtspunt (3) punt (ii) in dat geval niet opnieuw ten volle meetellen. Bij gezichtspunt (3) punt (ii) gaat het in de eerste plaats om accessoir bewijs: bewijs waarmee de betrouwbaarheid van de verklaring op de betwiste punten op een andere wijze dan door ondervraging kan worden getoetst.

De bespreking van het derde middel

41. Zoals gezegd worden met het middel drie oordelen bestreden:

(a) niet valt te verwachten dat [betrokkene 2] binnen een aanvaardbare termijn zal kunnen worden gehoord;

(b) ondanks dat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest [betrokkene 2] te horen, is het proces als geheel eerlijk geweest;

(c) [betrokkene 1] heeft geen belastende verklaring afgelegd.

Voor de bespreking van de klachten roep ik mijn beschrijving van de bewijsvoering (randnummers 3, 4 en 5 hierboven) in herinnering. Ik begin bij de klacht over het oordeel onder (c).

De deelklacht over het oordeel dat [betrokkene 1] geen belastende getuige betreft

42. Het hof heeft het verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 1] afgewezen en daartoe overwogen dat “er geen sprake [is] van een belastende getuige, maar enkel van bevindingen met betrekking tot de getuige.” In de aanvulling op het bestreden arrest is onder bewijsmiddel 3, een proces-verbaal van bevindingen, opgenomen dat de verbalisant uit een e-mail heeft vernomen dat [betrokkene 1] door de politie in [plaats] is gehoord en dat hij, [betrokkene 1] , heeft verklaard dat hij zijn pinpas had uitgeleend aan een vroegere vriend, [betrokkene 2] (hierboven omschreven onder randnummer 4).

43. Indien met de stellers van het middel zou moeten worden aangenomen dat het hof op deze wijze voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van de verklaring van [betrokkene 1] , dan zou [betrokkene 1] (inderdaad) hebben te gelden als een getuige die belastend heeft verklaard. Zijn onder de bewijsmiddelen opgenomen verklaring legt weliswaar geen rechtstreeks verband tussen zijn, [betrokkene 1] , pinpas en het gebruik ervan door de verdachte, maar zijn verklaring legt wel een klein schakeltje in dat verband, namelijk tussen hem en zijn vroegere vriend [betrokkene 2] , aan wie hij zijn pinpas had uitgeleend.

44. Wat hier ook van zij, voor cassatie bestaat geen reden. De verklaring van [betrokkene 1] , indien al tot het bewijs gebruikt, is duidelijk redundant en (dus) insignificant. Ik verwijs voor de redundantie van de verklaring niet naar de verklaring van [betrokkene 2] die het verband tussen de pinpas van [betrokkene 1] en het gebruik ervan door de verdachte óók en wel meer volledig legt. Ik verwijs daar niet naar omdat [betrokkene 2] evenmin door de verdediging is kunnen worden ondervraagd. Echter, reeds uit het door mij onder randnummer 3 omschreven bewijsmateriaal kan (‘parallel’ aan de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] ) worden afgeleid dat de verdachte met gebruikmaking van de pinpas van [betrokkene 1] het door de aangever overgemaakte geld heeft opgenomen van de bankrekening van [betrokkene 1] . Als zij al door het hof tot het bewijs is gebruikt, speelt de verklaring van [betrokkene 1] in de bewijsvoering een rol van slechts geringe betekenis.

45. De deelklacht over het oordeel onder (c) faalt.

De deelklacht over het oordeel onder (a), te weten dat niet valt te verwachten dat [betrokkene 2] binnen een aanvaardbare termijn zal kunnen worden gehoord

46. Uit de vaststellingen van het hof kan het volgende worden opgemaakt. Op 10 augustus 2022 heeft de raadsman van de verdachte een appelschriftuur ingediend en daarin onder meer verzocht om [betrokkene 2] en [betrokkene 1] als getuigen te horen. Op 3 juli 2023 heeft de poortraadsheer het verzoek om [betrokkene 2] als getuige te horen toegewezen. Uit de processen-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 23 januari 2024, 9 februari 2024 en 23 februari 2024 volgt dat meerdere keren is geprobeerd getuige [betrokkene 2] te horen en dat daarvoor ook twee keer een bevel medebrenging is afgegeven, maar dat de getuige steeds niet op zijn GBA-adres werd aangetroffen. Ook op andere mogelijke verblijfsadressen trof de politie de getuige niet aan. Aangezien het niet is gelukt getuige [betrokkene 2] te horen, heeft de raadsman het verzoek ter terechtzitting in hoger beroep herhaald. Tijdens de inhoudelijke behandeling in hoger beroep op 23 mei 2024 is geen nieuwe informatie over de vindplaats van de getuige naar voren gekomen.

47. Op enig moment tussen 23 februari 2024 en 23 mei 2024 heeft getuige [betrokkene 2] contact opgenomen met het kabinet van de raadsheer-commissaris om aan te geven dat hij niet voornemens is aan welke oproep dan ook gehoor te geven en dat hij niet bereid is om antwoord te geven op vragen. Gelet op al deze bevindingen en het feit dat op de terechtzitting in hoger beroep geen nieuwe informatie over de vindplaats van de getuige naar voren is gekomen, valt volgens het hof niet te verwachten dat de getuige binnen aanvaardbare termijn zal kunnen worden gehoord.

48. Dat oordeel is op zichzelf niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd. Het hof is uitdrukkelijk ingegaan op de inspanningen die − door de raadsheer-commissaris en de politie − zijn verricht om een ondervragingsmogelijkheid te realiseren. Niet valt in te zien welke aanknopingspunten voor het vinden van de getuige nog hadden kunnen worden aangegrepen. De in cassatie betrokken stelling dat de getuige “recent wel traceerbaar is geweest” is ontbloot van onderbouwing en zegt (indien juist) niet heel veel over de vraag of dat nogmaals zou kunnen lukken.

49. Verder heeft het hof melding gemaakt van het contact tussen [betrokkene 2] en het kabinet van de raadsheer-commissaris. Hoewel hieruit kan worden begrepen dat [betrokkene 2] zich voor justitie onvindbaar houdt, heeft het hof deze vaststelling (ofschoon dat had gekund als het hof dit punt op zitting uitdrukkelijk met de verdediging zou hebben besproken) niet zelfstandig ten grondslag gelegd aan zijn oordeel dat niet valt te verwachten dat [betrokkene 2] binnen een aanvaardbare termijn zal kunnen worden gehoord.

50. De deelklacht tegen het oordeel onder (a) faalt.

De deelklacht tegen het oordeel onder (b), de eerlijkheid van het proces als geheel

51. Het hof heeft aandacht besteed aan de vraag of de procedure als geheel ‘eerlijk’ is geweest in de zin van artikel 6 EVRM, ondanks dat de verdediging niet in de gelegenheid kon worden gesteld om de getuige [betrokkene 2] te ondervragen. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend op de (enkele) grond dat de verklaring van [betrokkene 2] voor het bewijsoordeel niet heeft te gelden als sole or decisive. Het hof verwijst daartoe naar het bewijsmateriaal dat ik onder de randnummers 3 en 5 hierboven heb samengevat.

52. De klacht dat het hof ook de andere gezichtspunten van de driestappentoets had moeten bespreken, is terecht voorgesteld. De enkele vaststelling dat de verklaring van [betrokkene 2] niet heeft te gelden als sole or decisive voor het bewijsoordeel is niet toereikend. Het hof gaat voorbij aan de (hierboven besproken) meer recente rechtspraak van het EHRM en de Hoge Raad. Valt uit het oordeel onder (a) nog wel af te leiden dat er naar ’s hofs opvatting een aanvaardbare reden was waarom de getuige [betrokkene 2] niet door de verdediging kon worden ondervraagd, het hof heeft met name onbesproken gelaten in welke mate de verklaring van [betrokkene 2] heeft bijgedragen aan het bewijsoordeel (gezichtspunt (2)) en welke compenserende factoren het bij de beoordeling van de eerlijkheid van het strafproces als geheel in aanmerking heeft genomen (gezichtspunt (3)).

53. Ik meen echter dat de klacht, hoewel terecht voorgesteld, niet tot cassatie hoeft te leiden. Daartoe loop ik zelf aan de hand van het bestreden arrest de gezichtspunten van de driestappentoets langs.

54. Nu de deelklacht tegen het oordeel onder (a) moet falen, mag in cassatie worden aangenomen dat er een aanvaardbare reden was waarom de getuige [betrokkene 2] niet door de verdediging kon worden ondervraagd.

55. Wat betreft het gewicht van de verklaring van [betrokkene 2] in de bewijsconstructie heeft het hof in elk geval (in cassatie onweersproken) vastgesteld dat die verklaring voor het bewijsoordeel niet doorslaggevend was. Het materiaal onder de randnummers 3 en 5 is voor de bewezenverklaring toereikend, aldus oordeelde het hof.

56. Ik wil nog wel iets verder gaan dan dat, en opmerken dat de mate waarin de verklaring van [betrokkene 2] de bewijsconstructie versterkt klaarblijkelijk betrekkelijk beperkt is. In die zin kan de onderwerpelijke getuigenverklaring ook wel als overbodig worden aangemerkt, althans steunt het bewijsoordeel niet in overwegende mate op deze verklaring. Op welke wijze de verdachte precies aan de pinpas van [betrokkene 1] is gekomen, is voor het bewijs van het witwassen immers niet van wezenlijk belang. Waar het om gaat is dat de verdachte heeft gepind met de pinpas van [betrokkene 1] en dat hij zich daarmee op georkestreerde wijze toegang heeft verschaft tot het geld dat de opgelichte aangever zeer kort daarvoor op de rekening van [betrokkene 1] had gestort. Die gevolgtrekking kan geheel worden gebaseerd op het door mij onder randnummer 3 geschetste bewijsmateriaal.

57. Waar het gaat om steunbewijs dat de verklaring van [betrokkene 2] verankert (ik doel op het steunbewijs van gezichtspunt (3) punt (ii)), merk ik op dat het bewijsmateriaal dat ik onder randnummer 3 heb besproken de verklaring van [betrokkene 2] voor wat betreft verdachte’s bezit van de pinpas van [betrokkene 1] meer betrouwbaar maakt. Die getuigenverklaring staat daarmee immers niet op zichzelf, maar vindt bevestiging in de onderzoeksresultaten. Het probleem is echter dat ik dit bewijsmateriaal reeds in ogenschouw heb genomen ter onderbouwing van mijn opvatting dat het bewijsoordeel van het hof niet in overwegende mate steunt op de inhoud van de verklaring van [betrokkene 2] . In het kader van gezichtspunt (3) laat ik dit steunbewijs dus buiten beschouwing. Daarmee heeft het hof, als ik het goed zie, de verdediging geen compensatie geboden voor het ontbreken van een gelegenheid om [betrokkene 2] te ondervragen.

58. Tot cassatie hoeft dit in deze zaak echter niet te leiden. Door de aanwezigheid van een good reason waarom het ondervragingsrecht niet kon worden gerealiseerd en doordat het bewijsoordeel niet in overwegende mate steunt op de getuigenverklaring van [betrokkene 2] kan het proces wel degelijk − dus ook zonder compenserende factoren − door de Straatsburgse hoepel. Ook in zoverre faalt het middel.

Slotsom

59. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.

60. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat de redelijke termijn in cassatie is overschreden. Gelet op de opgelegde gevangenisstraf van twee weken onvoorwaardelijk kan worden volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Verder heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

61. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

B.F. Keulen & G. Knigge, Strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 448-449. Zie E.J. Hofstee in: T&C Strafvordering, art. 261 Sv, aant. 1d (online, bijgewerkt tot 1 maart 2026). HR 3 december 1991, NJ 1992/251, en HR 10 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7314, NJ 2003/633. Zie E.J. Hofstee, in: T&C Strafvordering, art. 261 Sv, aant. 2 (online, bijgewerkt tot 1 maart 2026). HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:394. EHRM (GK) 15 december 2011, nrs. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja & Tahery/Verenigd Koninkrijk), §118: “Article 6 § 3 (d) enshrines the principle that, before an accused can be convicted, all evidence against him must normally be produced in his presence at a public hearing with a view to adversarial argument.” Ook: EHRM (GK) 15 december 2015, nr. 9154/10 (Schatschaschwili/Duitsland), § 103, en EHRM 19 januari 2021, nr. 2205/16 (Keskin/Nederland), § 44. Zie ook EHRM 8 oktober 2024, nr. 20440/18 (Severin/Roemenië), § 78. EHRM (GK) 15 december 2011, nrs. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja & Tahery/Verenigd Koninkrijk), §118: “(…). Exceptions to this principle are possible but must not infringe the rights of the defence, which, as a rule, require that the accused should be given an adequate and proper opportunity to challenge and question a witness against him, either when that witness makes his statement or at a later stage of proceedings (…).” EHRM (GK) 15 december 2015, nr. 9154/10 (Schatschaschwili/Duitsland), § 105: “However, the use as evidence of statements obtained at the stage of a police inquiry and judicial investigation is not in itself inconsistent with Article 6 §§ 1 and 3 (d), provided that the rights of the defence have been respected. As a rule, these rights require that the defendant be given an adequate and proper opportunity to challenge and question a witness against him – either when that witness is making his statements or at a later stage of the proceedings (…).” Zie EHRM 19 januari 2021, nr. 2205/16 (Keskin/Nederland), § 45: “Contrary to the situation with defence witnesses, the accused is not required to demonstrate the importance of a prosecution witness. In principle, if the prosecution decides that a particular person is a relevant source of information and relies on his or her testimony at the trial, and if the testimony of that witness is used by the court to support a guilty verdict, it must be presumed that his or her personal appearance and questioning are necessary (…).” Zie HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, NJ 2021/173 m.nt. Reijntjes (post-Keskin), rov. 2.9.2, en de daaraan voorafgaande conclusie van Bleichrodt van 9 maart 2021, ECLI:NL:PHR:2021:234. Ik citeer de Hoge Raad: “De uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin heeft tot gevolg dat in bepaalde gevallen het belang bij het oproepen en horen van een getuige moet worden voorondersteld, zodat van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang mag worden verlangd. Dat is aan de orde als het verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al - in het vooronderzoek of anderszins - een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt. Daarvan is in ieder geval sprake als de rechter in eerste aanleg een verklaring van een getuige voor het bewijs heeft gebruikt, en de verdediging in hoger beroep het verzoek doet deze getuige op te roepen en te (doen) horen.” HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:466, rov. 2.4.3-2.4.4, herhaald in HR 2 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1216, rov. 2.4.2. Zie met name ook de daaraan voorafgaande conclusie van Van Wees van 20 mei 2025, ECLI:NL:PHR:2025:554, onder 3.8-3.21, voor een uiteenzetting over de vraag wanneer een getuige als ‘onvindbaar’ mag worden aangemerkt met een bespreking van veel rechtspraak. HR 2 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1216, rov. 2.5.1. Zie ook HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rov. 2.9.3, zie ook HR 13 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1197, rov. 2.4, en HR 11 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1032. HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:466, rov. 2.4.4. EHRM (GK) 15 december 2011, nrs. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja & Tahery/Verenigd Koninkrijk), §118: “The Court notes that the guarantees in paragraph 3 (d) of Article 6 are specific aspects of the right to a fair hearing set forth in paragraph 1 of this provision which must be taken into account in any assessment of the fairness of proceedings. In addition, the Court’s primary concern under Article 6 § 1 is to evaluate the overall fairness of the criminal proceedings (…). In making this assessment the Court will look at the proceedings as a whole having regard to the rights of the defence but also to the interests of the public and the victims that crime is properly prosecuted (…) and, where necessary, to the rights of witnesses (…). It is also observed in this context that the admissibility of evidence is a matter for regulation by national law and the national courts and that the Court’s only concern is to examine whether the proceedings have been conducted fairly (…).” EHRM (GK) 15 december 2015, nr. 9154/10 (Schatschaschwili/Duitsland), § 101: “(…). The Court’s primary concern under Article 6 § 1 is to evaluate the overall fairness of the criminal proceedings (…). In making this assessment, the Court will look at the proceedings as a whole, including the way in which the evidence was obtained, having regard to the rights of the defence but also to the interest of the public and the victims in seeing crime properly prosecuted (…) and, where necessary, to the rights of witnesses (…).” EHRM 1 december 2020, nr. 88/05 (Danilov/Rusland): “110. As a general rule, it is for the national courts to assess the evidence before them as well as the relevance of the evidence which defendants seek to adduce. Article 6 § 3 (d) leaves it to them, again as a general rule, to assess whether it is appropriate to call witnesses (…).” EHRM 8 oktober 2024, nr. 20440/18 (Severin/Roemenië), § 77 (en § 79), waarin is herhaald dat het EHRM niet optreedt als rechter in vierde instantie en dat kwesties zoals het gewicht dat de nationale rechter toekent aan een bepaald bewijsstuk of aan een bepaalde conclusie of beoordeling die aan hem is voorgelegd, buiten de reikwijdte van de toetsing door het EHRM valt. EHRM (GK) 15 december 2015, nr. 9154/10 (Schatschaschwili/Duitsland), § 119; EHRM 6 februari 2024, nr. 56440/15 (Snijders/Nederland), § 60: “If there was a good reason for the witness’s non‑attendance in that sense, it followed that there was a (…) justification, for the trial court to admit the untested statements of the absent witness as evidence”. EHRM (GK) 15 december 2015, nr. 9154/10 (Schatschaschwili/Duitsland), § 107: “According to the principles developed in Al-Khawaja and Tahery, it is necessary to examine in three steps the compatibility with Article 6 §§ 1 and 3 (d) of the Convention of proceedings in which statements made by a witness who had not been present and questioned at the trial were used as evidence (…). The Court must examine (i) whether there was a good reason for the non-attendance of the witness and, consequently, for the admission of the absent witness’s untested statements as evidence (…); (ii) whether the evidence of the absent witness was the sole or decisive basis for the defendant’s conviction (…); and (iii) whether there were sufficient counterbalancing factors, including strong procedural safeguards, to compensate for the handicaps caused to the defence as a result of the admission of the untested evidence and to ensure that the trial, judged as a whole, was fair (…).” Zie ook HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, NJ 2021/173 m.nt. Reijntjes, rov. 2.12.2-2.12.3; HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1418, rov. 2.4.2; HR 5 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:181, rov. 2.9.1-2.9.2. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, NJ 2021/173 (post-Keskin), rov. 2.9.4 en 2.12.1; EHRM (GK) 15 december 2015, nr. 9154/10 (Schatschaschwili/Duitsland), § 117. EHRM (GK) 15 december 2015, nr. 9154/10 (Schatschaschwili/Duitsland), §§ 119-122 (m.n. 120); EHRM 30 januari 2018, nr. 20963/08 (Boyets/Oekraïne), §§ 82-83; EHRM 28 januari 2020, nr. 10355/09 (Lobarev e.a./Rusland), § 32. “In respect of the former [witnesses who cannot be located, D.A.] the Court has repeatedly noted that the domestic courts with the assistance of the respective authorities have a wide array of measures to locate a missing witness. For example, inquiries with the relatives and acquaintances (…), police searches, including international legal assistance (…), inquiries with prison registers, national police and Interpol databases (…), civil register services and municipal councils (…), etc. It is not for the Court to compile a list of specific measures which the domestic courts must have taken in order to have made all reasonable efforts to secure the attendance of a witness whom they finally considered to be unreachable (…).” EHRM 28 januari 2020, nr. 10355/09 (Lobarev e.a./Rusland): “33. However, in cases where a witness has gone into hiding and has been evading justice the domestic courts face a situation where in practical terms they have no means to locate a witness and it would be excessive and formalistic to compel the domestic courts to take steps in addition to the efforts already taken by the respective authorities within a special legal framework for the search of persons evading justice. 34. In such cases the trial court prior to concluding that there is good reason for the non-attendance of a witness must satisfy itself, first, that the witness is evading justice, and, second, that the defendant is informed thereof in a way affording a possibility to comment on the measures taken.” HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1418, NJ 2021/368 m.nt J.M. Reijntjes, rov. 2.4.2; HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1462, NJ 2024/34, rov. 2.4.2; HR 27 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:805, NJ 2025/271 m.nt. Vellinga, rov. 2.3.2-2.3.3. EHRM (GK) 15 december 2015, nr. 9154/10 (Schatschaschwili/Duitsland), § 123: “‘Decisive’ evidence should be narrowly interpreted as indicating evidence of such significance or importance as is likely to be determinative of the outcome of the case. Where the untested evidence of a witness is supported by other corroborative evidence, the assessment of whether it is decisive will depend on the strength of the supporting evidence; the stronger the corroborative evidence, the less likely that the evidence of the absent witness will be treated as decisive (…).” Zie ook EHRM 6 februari 2024, nr. 56440/15 (Snijders/Nederland), § 61. Hierin schuilt een zekere cirkelredenering: het gewicht van de getuigenverklaring binnen de bewijsvoering hangt af van de aanwezigheid van steunbewijs, terwijl de aanwezigheid van (voldoende) steunbewijs mede wordt bepaald door het gewicht van de getuigenverklaring binnen de bewijsvoering. Echter, met dit begrippenkader wordt in de rechtspraak nu eenmaal uitdrukking gegeven aan het nauwe en omgekeerd evenredige verband tussen ‘het gewicht van de getuigenverklaring binnen de bewijsvoering’ en ‘de aanwezigheid van steunbewijs voor de door de verdachte betwiste omstandigheid’. De cirkel knelt minder als eerst wordt vastgesteld wat de getuigenverklaring moet bewijzen, en vervolgens het steunbewijs daaraan wordt afgemeten. Maar ook dan gaat het om een oordeel in onderling verband, niet om twee stappen na elkaar. Het concept ‘het gewicht van het bewijs in de bewijsconstructie’ kan niet worden vereenzelvigd met de notie van ‘de kracht van het bewijs’ (ook wel: likelihood ratio, een relatief begrip). Het is goed denkbaar dat een krachtig bewijs een zeer sterke aanwijzing vormt voor wie de bron is van een bepaald biologisch spoor, maar binnen de bewijsvoering slechts een marginale rol vervult en vrijwel niet redengevend is voor de bewezenverklaring (en vice versa). Het gaat bij het begrip ‘het gewicht van het bewijs in de bewijsconstructie’ om de rol die het bewijs binnen de constructie vervult en aan welke gevolgtrekkingen het in de bewijsredenering bijdraagt. Overigens mag ik voor meer duiding van het begrip ‘redengevendheid’ graag verwijzen naar: C. Ganzeboom, ‘Redengevendheid: een nadere conceptualisering’, DD 2025/55. HR 27 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:805, NJ 2025/271 m.nt. Vellinga, rov. 2.3.2, en zie de daaraan voorafgaande conclusie van Van Wees van 18 maart 2025, ECLI:NL:PHR:2025:327, randnrs. 2.6-2.14. Zie eerder al: HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, NJ 2021/173 (post-Keskin), rov. 2.12.2. De Hoge Raad opereert hiermee in lijn met het EHRM in bijv. EHRM (GK) 15 december 2015, nr. 9154/10 (Schatschaschwili/Duitsland), § 116: “(…). The extent of the counterbalancing factors necessary in order for a trial to be considered fair will depend on the weight of the evidence of the absent witness. The more important that evidence, the more weight the counterbalancing factors will have to carry in order for the proceedings as a whole to be considered fair.” EHRM 6 februari 2024, nr. 56440/15 (Snijders/Nederland), § 76. EHRM 14 januari 2020, nrs. 51111/07 & 42757/07 (Khodorkovskiy & Lebedev/Rusland (nr. 2)), § 484: “The Court reiterates that if the prosecution decides that a particular person is a relevant source of information and relies on his or her testimony at the trial, and if the testimony of that witness is used by the court to support a guilty verdict, it must be presumed that his or her personal appearance and questioning are necessary, unless the testimony of that witness is manifestly irrelevant or redundant (…).” Gebrek aan toegevoegde waarde heeft het bewijsmiddel dat in de bewijsconstructie “manifestly irrelevant or redundant” is. Dit betekent m.i. dat het bewijs onmiskenbaar (a) van geen belang, dan wel van zeer ondergeschikte betekenis is, of (b) overcompleet is (op de grond dat de betwiste redengevende feiten en omstandigheden die in het bewijsmiddel zijn opgenomen evengoed uit ander bewijsmateriaal kunnen worden afgeleid). De Hoge Raad oordeelde in HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, NJ 2021/173 (post-Keskin), rov. 2.9.3: “Verder verzet artikel 6 EVRM zich niet ertegen dat de rechter het verzoek afwijst als het oproepen en horen van een getuige onmiskenbaar irrelevant of overbodig (“manifestly irrelevant or redundant”) is, omdat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben.” Daartoe verwees de Hoge Raad naar: EHRM 19 januari 2021, nr. 2205/16 (Keskin/Nederland), § 57, en naar het al genoemde EHRM 14 januari 2020, nrs. 51111/07 & 42757/07 (Khodorkovskiy & Lebedev/Rusland (nr. 2)), § 484. Vgl. eveneens voor het beoordelen van getuigenverzoeken: HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1930, NJ 2022/22; HR 17 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:692 (HR: 81 RO). In HR 7 juni 2022 ECLI:NL:HR:2022:801, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat indien de feiten en omstandigheden die in de verklaring van de niet-ondervraagde getuige naar voren komen (i) ook volgen uit andere door het hof gebruikte bewijsmiddelen of (ii) een omstandigheid betreffen die geen onderdeel is van de bewezenverklaring en in het geheel van de bewijsmotivering van zeer ondergeschikte betekenis is, de verdachte – bij een op zichzelf terecht voorgestelde klacht over de motivering van de afwijzing van een getuigenverzoek – onvoldoende belang heeft bij cassatie. De Hoge Raad oordeelde in HR 25 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:439: “2.4.1. Uit het arrest van de Hoge Raad van 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576 volgt (…) ook dat de rechter het verzoek om zo’n getuige op te roepen en te horen niettemin kan afwijzen, onder meer als hij tot het oordeel komt dat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen als de al door de getuige afgelegde verklaring betrekking heeft op feiten en omstandigheden die door de verdachte niet worden betwist of als die feiten en omstandigheden door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan (…). 2.4.2. Voor het oordeel dat zich de situatie voordoet dat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben, zijn onder meer van belang de inhoud van de in de tenlastelegging tot uitdrukking gebrachte beschuldiging, de andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek die zich in het procesdossier bevinden, zoals verklaringen van andere getuigen, en de procesopstelling van de verdachte, een en ander in het licht van het verhandelde op de terechtzitting waaronder wat daar mogelijkerwijs nog door de verdediging naar voren is gebracht over het doel van de beoogde ondervraging. (Vgl. HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1930, rechtsoverweging 2.4.2.).” Zie ook EHRM (GK) 15 december 2015, nr. 9154/10 (Schatschaschwili/Duitsland), §§ 112 en 115. EHRM (GK) 15 december 2015, nr. 9154/10 (Schatschaschwili/Duitsland), §§ 116-117; EHRM 6 februari 2024, nr. 56440/15 (Snijders/Nederland), § 74. Een behoorlijk aantal tips over hoe de evaluatie van het als derde genoemde gezichtspunt van de driestappentoets kan worden uitgevoerd, geeft het EHRM in EHRM 17 oktober 2019, nrs. 26581/17 & 31024/17 (Oddone & Pecci/San Marino), §§ 104-114. EHRM (GK) 15 december 2015, nr. 9154/10 (Schatschaschwili/Duitsland): “125. As to the question whether there were sufficient counterbalancing factors to compensate for the handicaps under which the defence laboured as a result of the admission of untested witness evidence at the trial (third step of the Al-Khawaja and Tahery test), the Court reiterates that these counterbalancing factors must permit a fair and proper assessment of the reliability of that evidence (…). 126. The fact that the domestic courts approached the untested evidence of an absent witness with caution has been considered by the Court to be an important safeguard (…). The courts must have shown that they were aware that the statements of the absent witness carried less weight (…). The Court has taken into account, in that context, whether the domestic courts provided detailed reasoning as to why they considered that evidence to be reliable, while having regard also to the other evidence available (…).” EHRM (GK) 15 december 2015, nr. 9154/10 (Schatschaschwili/Duitsland): “128. A further considerable safeguard is the availability at the trial of corroborative evidence supporting the untested witness statement (…). Such evidence may comprise, inter alia, statements made at the trial by persons to whom the absent witness reported the events immediately after their occurrence (…), further factual evidence secured in respect of the offence, including forensic evidence (…), or expert opinions on a victim’s injuries or credibility (…). The Court has further considered as an important factor supporting an absent witness’s statement the fact that there were strong similarities between the absent witness’s description of the alleged offence committed against him or her and the description, given by another witness with whom there was no evidence of collusion, of a comparable offence committed by the same defendant. This holds even more true if the latter witness gave evidence at the trial and that witness’s reliability was tested by cross-examination (…).” EHRM (GK) 15 december 2015, nr. 9154/10 (Schatschaschwili/Duitsland), §§ 125-131; EHRM 19 januari 2021, nr. 2205/16 (Keskin/Nederland), § 65; EHRM 6 februari 2024, nr. 56440/15 (Snijders/Nederland), § 63. De Hoge Raad omschreef de compenserende factoren als volgt in HR 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:220, NJ 2026/97, rov. 2.3.3: “Bij dit onderzoek naar het bestaan van voldoende compenserende factoren – waaronder ook procedurele waarborgen – voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid, gaat het er in de kern om dat de rechter de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige zorgvuldig onderzoekt, in samenhang met het overige bewijsmateriaal en in het licht van de betwisting door de verdachte van die verklaring. Het gaat daarbij om voldoende compenserende factoren voor de door de verdediging ondervonden beperkingen bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige, waarmee ook de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing wordt gewaarborgd. Van belang daarbij kunnen zijn verklaringen van personen tegenover wie de getuige – kort na de gebeurtenissen waar het om gaat – zijn of haar verhaal heeft gedaan of die anderszins feiten en omstandigheden waarop de getuigenverklaring ziet, kunnen bevestigen. Het kan onder omstandigheden ook gaan om verklaringen van deskundigen die de totstandkoming en de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige dan wel de persoon van die getuige aan een onderzoek hebben onderworpen. Verder kan compensatie betrekking hebben op procedurele waarborgen zoals de beschikbaarheid van een audiovisuele vastlegging van het verhoor van de getuige of het ondervragen van de zojuist genoemde personen of deskundigen. In dit verband kan ook van belang zijn dat de verdediging wel een beperkte mogelijkheid heeft gehad om vragen te (doen) stellen aan de getuige (…).” Met verwijzing naar HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, NJ 2021/173 (post-Keskin), rov. 2.12.2. EHRM (GK) 15 december 2015, nr. 9154/10 (Schatschaschwili/Duitsland): “127. An additional safeguard in that context may be to show, at the trial hearing, a video-recording of the absent witness’s questioning at the investigation stage in order to allow the court, prosecution and defence to observe the witness’s demeanour under questioning and to form their own impression of his or her reliability (…). 129. Moreover, in cases in which a witness is absent and cannot be questioned at the trial, a significant safeguard is the possibility offered to the defence to put its own questions to the witness indirectly, for instance in writing, in the course of the trial (…). 130. Another important safeguard countering the handicaps under which the defence labours as a result of the admission of untested witness evidence at the trial is to have given the applicant or defence counsel an opportunity to question the witness during the investigation stage (…). The Court has found in that context that where the investigating authorities had already taken the view at the investigation stage that a witness would not be heard at the trial, it was essential to give the defence an opportunity to have questions put to the victim during the preliminary investigation (…). Such pre-trial hearings are indeed often set up in order to pre-empt any risk that a crucial witness might not be available to give testimony at the trial (…).” Zie voor dat laatste bijvoorbeeld EHRM 10 februari 2022, nr. 32084/19 (Al Alo/Slowakije), § 56: “(…). Furthermore, the Court has held that the ability to confront a witness for the prosecution at the investigation stage is an important procedural safeguard which can compensate for the handicaps faced by the defence on account of absence of such a witness from the trial (…).” Zie ook de noot van Myjer bij de publicatie van Schatschaschwili in: NJ 2017/294. EHRM (GK) 15 december 2015, nr. 9154/10 (Schatschaschwili/Duitsland), § 128 (hiervoor al geciteerd). EHRM 2 mei 2023, nr. 57818/18 (Strassenmeyer/Duitsland), §§ 81 en 89. EHRM 6 februari 2024, nr. 56440/15 (Snijders/Nederland), § 77. EHRM 2 mei 2023, nr. 57818/18 (Strassenmeyer/Duitsland), § 88, met verwijzing naar EHRM 19 juli 2012, nr. 29881/07 (Sievert/Duitsland), § 65. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, NJ 2021/173 (post-Keskin), rov. 2.12.2; HR 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:220, NJ 2026/97, rov. 2.3.3 (hiervoor al geciteerd). HR 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:220, NJ 2026/97, rov. 2.4.2. Voor een uiteenzetting (met schematische illustraties) over o.m. het begrip ‘parallel bewijs’ (een in de forensische wetenschap gangbaar begrip) verwijs ik naar: J. de Koeijer & D. Aben, ‘Een beeld zegt meer dan duizend woorden. Het gebruik van relatieschema’s voor forensische bewijsconstructies’, Expertise en Recht 2020, afl. 3, p. 89-95. Het begrip ‘accessoir bewijs’ (geen gangbaar begrip) heb ik eerder gebruikt in een conclusie van 3 december 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1253, ook in verband met de driestappentoets. Een voorbeeld ter verduidelijking. Casus: een niet-ondervraagde getuige heeft bij de politie verklaard dat zij op een bepaald moment op bepaalde plek stond en toen getuige was van een mishandeling die werd gepleegd door de verdachte. De verdediging betwist echter dat de getuige die mishandeling kan hebben waargenomen met de stelling dat zij (die getuige) toen helemaal niet op die plek stond. Nu kan die getuigenverklaring op onder meer twee manieren steun krijgen: (1). Een andere getuige verklaart uit eigen waarneming over diezelfde mishandeling, gepleegd door de verdachte. Dit betreft een geval van parallel bewijs. (2). Uit camerabeelden (waarop de mishandeling zelf niet is vastgelegd) blijkt dat de niet-ondervraagde getuige wel degelijk op het door haar aangegeven tijdstip op de door haar aangegeven plek aanwezig was (en dus de mishandeling kan hebben waargenomen). Het bewijs onder (1) steunt niet alleen indirect de getuigenverklaring op het springende punt, maar steunt tevens rechtstreeks de bewezenverklaring. Het bewijs onder (2) verankert de getuigenverklaring. Dit bewijs steunt uitsluitend indirect (d.w.z. accessoir aan de getuigenverklaring) ook de bewezenverklaring. Overigens, indien dergelijk accessoir bewijs ten grondslag wordt gelegd aan een weerlegging van verweren inzake de onbetrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige à charge, dan wordt dat accessoir bewijs naar het oordeel van de Hoge Raad niet alsnog ‘redengevend’ voor de bewezenverklaring en hoeft het dus ook geen onderdeel te zijn van de bewijsmiddelencatalogus, zie HR 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5851, NJ 2008/69, rov. 3.6; HR 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5858, NJ 2008/70 m.nt. Borgers, rov. 3.3. Vgl. EHRM (GK) 15 december 2015, nr. 9154/10 (Schatschaschwili/Duitsland), §§ 143-144 en 151. Het EHRM achtte de verklaringen van de afwezige getuigen beslissend, omdat het overige bewijs bestond uit verklaringen van personen aan wie de getuigen hun verhaal hadden gedaan en uit technisch bewijs dat niet beslissend was voor de beroving en afpersing zelf. Datzelfde bewijs telde het EHRM vervolgens wel mee als compenserende factor. Ook EHRM (GK) 15 december 2015, nr. 9154/10 (Schatschaschwili/Duitsland), is op dit punt dubbelzinnig: § 128 spreekt van “corroborative evidence supporting the untested witness statement”, § 145 van “the availability and strength of further incriminating evidence”. EHRM 6 februari 2024, nr. 56440/15 (Snijders/Nederland), § 76. Zie voor toepassingen EHRM 2 mei 2023, nr. 57818/18 (Strassenmeyer/Duitsland), §§ 78-79 en 82, 90; EHRM 6 februari 2024, nr. 56440/15 (Snijders/Nederland), §§ 72-74 en 77; HR 27 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:805, NJ 2025/271 m.nt. Vellinga, rov. 2.5.4. Zie kritisch de concurring opinion van de rechters Pavli en Zünd bij Snijders, §§ 3 en 9, en de concurring opinion van rechter Wojtyczek bij EHRM 17 oktober 2019, nrs. 26581/17 & 31024/17 (Oddone & Pecci/San Marino), § 9. Het belang bij een cassatieklacht die zich richt tegen een beslissing tot afwijzing van een verzoek tot het oproepen en horen van een getuige die een belastende verklaring heeft afgelegd kan ontbreken als de procedure als geheel voldoet aan artikel 6 EVRM. In dat verband heeft de Hoge Raad bepaald dat indien de feiten en omstandigheden die in de verklaring van de niet-ondervraagde getuige naar voren komen ook volgen uit andere door het hof gebruikte bewijsmiddelen of een omstandigheid betreffen die in het geheel van zeer ondergeschikte betekenis is, dan heeft de verdachte – bij een op zichzelf terecht voorgestelde klacht over de motivering van de afwijzing van een getuigenverzoek – onvoldoende belang bij cassatie. Zie HR 7 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:801, rov. 3.5. Zie o.a. HR 1 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:86, rov. 4.4; HR 29 maart 2022, ELCI:NL:HR:2022:402, rov. 2.5; HR 20 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1254 (HR: 81 RO, zie de voorafgaande conclusie van A-G Spronken, randnr. 3.6), en HR 11 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1032, rov. 2.5.3, waarin ondanks een gebrek aan (andere) compenserende factoren (dan reeds in aanmerking genomen steunbewijs) sprake was van een procedure die in haar geheel beschouwd voldeed aan de eisen van art. 6 lid 1 en lid 3 sub d EVRM.