Strafrecht overig
Conclusie AG. Veroordeling van directeur rechtspersoon voor feitelijke leiding geven aan opzettelijk doen…
ECLI:NL:PHR:2026:814 · Parket bij de Hoge Raad · 15 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-814
Zaakgegevens
Op 15 september 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 15 september 2026
- Datum publicatie
- 27 augustus 2026
- Zaaknummer
- 25/00108
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:814
Samenvatting
Conclusie AG. Veroordeling van directeur rechtspersoon voor feitelijke leiding geven aan opzettelijk doen onjuiste belastingaangiften (art. 69 AWR), niet voeren deugdelijke administratie (art. 68 jo. 69 AWR), feitelijke leiding geven aan valsheid in geschrift (art. 225 Sr) en gewoontewitwassen (art. 420ter jo. 420bis Sr). 1. Niet-ondertekende bijlage met bewijsmiddelen. Is sprake van aanvulling bewijsmiddelen a.b.i. art. 365a Sv? 2. Schending ondervragingsrecht, art. 6 EVRM. Volgens hof heeft verdediging beperkte ondervragingsmogelijkheid gehad t.a.v. getuige, die verklaarde dat zij 'het niet meer weet’. Kon hof eerder afgelegde verklaringen voor het bewijs gebruiken? 3. Innerlijke tegenstrijdigheid in bewijsmiddelen. 4. Klacht over niet reageren op verweer dat dagvaarding partieel nietig is. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 25/04456.
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/00108
Zitting 15 september 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte
1 Het cassatieberoep
De verdachte is bij arrest van 8 november 2024 door het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23-002934-21) veroordeeld wegens – kort gezegd – het feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd (onder 1), en de eendaadse samenloop van het feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon opzettelijk niet voeren van een ingevolge de belastingwet vereiste deugdelijke administratie, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven en het feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van valsheid in geschrift (onder 2 en 4). Tot slot is de verdachte veroordeeld voor gewoontewitwassen (onder 3). Het hof heeft de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden opgelegd.
Er bestaat samenhang met de zaak tegen [medeverdachte 1] B.V. (25/04456), waarin ik vandaag ook concludeer.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De advocaat J.S. Nan heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.
2 Een korte schets van de zaak
Blijkens de vaststellingen van het hof gaat het in deze zaak om het volgende. Naar aanleiding van TCI informatie is onderzoek gedaan naar de boekhouding en de belastingaangiften van de medeverdachte rechtspersoon [medeverdachte 1] B.V. De verdachte is de enige directeur van [medeverdachte 1] B.V. Er werd door de B.V. vlees ingekocht bij een slachthuis en dat vlees werd vervolgens doorverkocht aan verschillende afnemers.
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte zich tussen 1 januari 2010 en 15 april 2016 schuldig heeft gemaakt aan bovengenoemde strafbare feiten. Het vlees werd door de medeverdachte rechtspersoon op grote schaal zwart in- en verkocht. In dit verband werden bij de inkoop van het vlees valse facturen geaccepteerd en werden tevens valse facturen verstrekt bij de verkoop ervan. Deze facturen werden opgenomen in de administratie van de medeverdachte rechtspersoon. Daarnaast heeft de medeverdachte rechtspersoon blijkens de vaststellingen van het hof meerdere onjuiste aangiften omzetbelasting en loonheffing gedaan. In de tenlastegelegde periode waren volgens de vaststellingen van het hof namelijk meer personen bij het bedrijf werkzaam dan in de loonadministratie waren opgenomen, terwijl een aantal van de in de loonadministratie opgenomen personen – volgens onder meer observaties – meer uren bij het bedrijf werkte dan het aantal uren dat zij volgens deze administratie kregen uitbetaald. De verdachte heeft volgens het hof feitelijke leiding gegeven aan deze strafbare feiten. Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een contant geldbedrag.
3 Het eerste middel
Het middel bevat de klacht dat de aanvulling met bewijsmiddelen ‘als bedoeld in art. 365a Sv’ niet is ondertekend en dat de aanvulling niet is gedateerd, zodat onduidelijk is of de aanvulling binnen de termijn van art. 365a Sv heeft plaatsgevonden.
Het arrest van het hof houdt ten aanzien van het bewezenverklaarde het volgende in:
“Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.”
Aan het op 8 november 2024 door het hof gewezen arrest is een “bewijsmiddelenbijlage” gehecht. Uit de toelichting blijkt dat de steller van het middel meent dat hier sprake is van een aanvulling op een verkort arrest als bedoeld in art. 365a Sv jo. 415 Sv. Dat is – gelet op de hiervoor geciteerde overweging van het hof – op zichzelf geen onbegrijpelijk standpunt. Toch kan daarbij een tweetal kanttekeningen worden geplaatst.
In de eerste plaats blijkt – anders dan te doen gebruikelijk is als een verkort arrest wordt gewezen – uit de aanhef van het bestreden arrest niet dat het hof op 8 november 2024 een verkort arrest als bedoeld in art. 365a lid 1 Sv heeft gewezen. In de tweede plaats duidt ook de bijlage met bewijsmiddelen zelf er niet op dat sprake is van een aanvulling als bedoeld in art. 365a lid 2 Sv. Volgens het opschrift gaat het – als opgemerkt – om een “bewijsmiddelenbijlage”. In de aanhef van de hiervoor bedoelde aanvulling wordt normaliter vermeld dat het zo’n aanvulling betreft: hier staat in de aanhef slechts “bewijsmiddelenbijlage bij het arrest van 8 november 2024”.
Het voorgaande doet mij al met al sterk vermoeden dat de hiervoor onder 3.2 geciteerde overweging van het hof een kennelijke misslag betreft. Ik meen dat ervan uit kan worden gegaan dat de “bewijsmiddelenbijlage” een bijlage betreft die direct bij het arrest van 8 november 2024 is gevoegd en het dus geen aanvulling betreft als bedoeld in art. 365a lid 2 Sv, die pas is opgemaakt nadat tegen het arrest cassatie was ingesteld. Een dergelijke bijlage bij het arrest hoeft – anders dan de aanvulling als bedoeld in art. 365a lid 2 Sv – niet (apart) te worden ondertekend.
Mijns inziens faalt het middel dan ook bij gebrek aan feitelijke grondslag.
4 Het tweede middel
Het middel bevat de klacht dat het hof – in strijd met art. 6 EVRM – de verklaringen van [getuige] voor het bewijs heeft gebruikt, terwijl de verdediging deze getuige niet (effectief) heeft kunnen ondervragen. Het oordeel van het hof dat het proces – als geheel bezien – niet oneerlijk is, is volgens de steller van het middel niet zonder meer begrijpelijk.
Blijkens de bewijsmiddelenbijlage heeft het hof twee verklaringen van [getuige] voor het bewijs gebruikt:
“9. Een proces-verbaal van verhoor van [getuige] van 15 april 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , p. 1620 - 1631 (V-002-01).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 15 april 2016 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [getuige] :
Vraag verbalisanten:
Wie is uw leidinggevende bij [medeverdachte 1] B.V.?
Antwoord gehoorde:
[verdachte] zelf.
Vraag verbalisanten:
Wie werken er op kantoor bij [medeverdachte 1] B.V.?
Antwoord gehoorde:
[betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] . [betrokkene 3] doet van alles, helpt ook met schrijven van facturen.
Vraag verbalisanten:
Wie verzorgt de inkoop van vlees bij [medeverdachte 1] B.V.?
Antwoord gehoorde:
Dat doet de baas, [verdachte] zelf. Normaal gesproken is het zo dat er per leverancier een map is. In zo'n map zitten de afleverbonnen en de facturen van de leverancier. Die worden gecontroleerd door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , hoofdzakelijk [betrokkene 1] . Daarna wordt er een indicatiedatum op gezet wanneer de factuur betaald moet worden. [betrokkene 1] haalt ze uit de map en die legt ze dan bij [verdachte] neer en die controleert wat wel en niet betaald moet worden. Dan pas komen de facturen bij mij en dan zet ik ze in het banksysteem klaar en dan wordt het diezelfde dag of de volgende dag met de code die [verdachte] mij geeft doorgezet naar de bank om te verwerken.
Vraag verbalisanten:
Hoe worden de inkoopprijzen van het vlees bepaald en vastgelegd?
Antwoord gehoorde:
Er worden prijzen afgesproken tussen [verdachte] en de leverancier. Soms staan de prijzen op de afleverbon en soms zijn er vaste afspraken over de prijs en die maakt [verdachte] zelf. [A] wordt altijd per bank betaald. [A] levert hele beesten, lammeren, geiten. [A] levert bijvoorbeeld 100 lammeren in een week. Dan is daar de prijs nog niet van afgesproken omdat dat afhangt van de kwaliteit van de geleverde lammeren. Als ze te dik, te zwaar of te vet zijn kan dat de prijs beïnvloeden. Op vrijdag komt de eigenaar van [A] . hij heet [betrokkene 5] of [betrokkene 6] , langs om met [verdachte] de prijs af te spreken van de lammeren die die week geleverd zijn. Dan krijg ik vrijdagavond laat of maandag per e-mail een factuur binnen van [A] van wat er de afgelopen week geleverd is. Ik print de factuur dan uit en geef de factuur aan [verdachte] . De baas zelf, [verdachte] , controleert dan de factuur, aan de hand van de lijstjes die zijn gemaakt toen de dieren binnen kwamen. Als de lammeren geleverd worden bij ons, is er van [A] een pakbon. Dan gaat degene die beneden staat de lammeren tellen en wegen. Elk dier wordt gewogen. Die gewichten worden op een lijstje opgeschreven en die lijstjes gaan naar [verdachte] . Na de controle door [verdachte] van de factuur en de lijstjes met de gewichten komt de factuur weer naar mij om te betalen.
Vraag verbalisanten:
Maar de inkomende facturen werden toch door [betrokkene 1] gecontroleerd?
Antwoord gehoorde:
De facturen van [A] worden niet door [betrokkene 1] gecontroleerd, dat doet [verdachte] zelf. Op vrijdag maak ik een lijstje op wat ik die week cash ontvangen en uitgegeven heb en dat lijstje stop ik met het geld wat over is in een envelop en die leg ik in de kleine grijze kluis. Op de envelop schrijf ik maandag tot en met vrijdag en mijn naam. Uiteindelijk haalt [verdachte] die envelop uit de grijze kluis en ben ik de controle kwijt.
Vraag verbalisanten:
Is er ook een kasboek op papier bij [medeverdachte 1] B.V.?
Antwoord gehoorde:
Nee.
Sommige klanten willen geen bon, maar gelijk een factuur. Als ik daar zit maak ik die bon of factuur maar dat kan ook [betrokkene 2] , [betrokkene 1] of [betrokkene 3] zijn.
Het klopt dat er bij [medeverdachte 1] BV vlees zowel zwart ingekocht als verkocht wordt. Ik weet dat [verdachte] een deel zwart betaald maar niet hoeveel en of dat de helft is. Er wordt volgens mij zwart ingekocht bij [betrokkene 7] , [A] , [betrokkene 8] , [B] weet ik niet zeker omdat ik daar een contant factuur van krijg maar [verdachte] gaat daar altijd zelf naar toe om vlees te halen. Ik weet dat er wel zwart wordt ingekocht omdat de chauffeur die bestelling komt afleveren bij [verdachte] op kantoor geld in een envelop krijgt. Dat kan ik zien omdat er alleen een glazen wand tussen onze bureaus is. Als zo'n leverancier komt leveren is een deel van de zending vermeld op een bon en het andere, zwart deel, staat op een los briefje. Bij aflevering beneden wordt de hele zending gewogen en gaat de bon van een deel van de zending in de map inkoopbonnen. Het andere deel van de zending op een briefje wordt betaald door [verdachte] aan de chauffeur. Wat [verdachte] met dat briefje doet weet ik niet. Uiteindelijk zie ik een factuur voor dat deel van de zending waar een bon voor is. Het klopt dat de eigenaar van de supermarkten [C] en [D] de grootste zwarte afnemer is. Hij wil een factuur voor gedeelte van de lammeren en voor het magere vlees. De rest daar wil die eigenaar geen factuur voor.
Vraag verbalisanten:
Hoe gaat het administratief in zijn werk bij de zwarte verkopen aan [C] en [D] ?
Antwoord gehoorde:
Er wordt gewoon een afleverbon gemaakt. De eigenaar heeft dan vaak zelf al de lammeren bij ons op de zaak uitgezocht. Op zo'n afleverbon staan alle gegevens zoals ik eerder vertelde. Dan wordt het vlees naar [C] of [D] gebracht, de afleverbon wordt afgetekend. De gele afleverbon komt terug. Hij krijgt elke dag 1 of 2 keer vlees, behalve maandag omdat de lammeren op maandag geslacht worden en dinsdag komen die lammeren dan binnen. De gele bonnen komen terug en de maandag daarop tel ik alle geleverde lammeren op en deel ik door 2 en hetzelfde gebeurd met het magere vlees. Dan maak ik facturen voor de helft van hetgeen er die week aan lammeren en mager vlees geleverd is.
Vraag verbalisanten:
Voor hetgeen geleverd aan [C] en [D] is wel een afleverbon gemaakt maar er staan maar voor een gedeelte facturen tegenover.
Antwoord gehoorde:
Ja, dat afleverbonnen en facturen niet matchen, dat klopt maar daar is ook geen controle op en de afleverbonnen gaan ook niet naar de boekhouder.
Vraag verbalisanten:
Wie bepaalt er dan of er wel of niet een factuur bij een levering moet worden gemaakt?
Antwoord gehoorde:
Dat is of [verdachte] of zijn broers, de chauffeurs. Ik heb instructies om voor bepaalde klanten wel of geen factuur te maken. Die instructies staan in mijn computer en die heb ik opgeslagen onder facturen klanten in een Exel bestand. Er is ook uitdraai van die instructie te vinden in een la van het bureau van [betrokkene 2] of in het bakje naast haar bureau. Als ik er op maandag niet ben dan pakt [betrokkene 2] die instructie erbij en weet ze zo of ze wel of niet een factuur moet maken.
De boeken leg ik als ze paar weken oud zijn in de kleine grijze kluis en die zijn op een gegeven moment weg. Dan heeft [verdachte] ze vermoedelijk weg gehaald en wat hij er mee doet weet ik niet. [C] en [D] hebben een aparte positie bij ons in de administratie in de boekjes. Eerste zette ik altijd de factuurnummers er bij maar omdat deze altijd lager waren dan dat er daadwerkelijk geleverd was gaf dat verwarring bij [verdachte] . Hij dacht dat er te veel facturen gestuurd werden en de factuurbedragen kwamen niet overeen met de bedragen op de pakbon. Dat is logisch omdat ik maar een heel klein gedeelte van de pakbonnen factureerde. Ik ben toen gestopt met het vermelden van de facturen.
Er zijn wel facturen bij [C] en [D] maar dat is voor de helft van de leveringen lammeren en mager vlees.
Vraag verbalisanten:
Dat betekent dan toch [E] niet de juiste verkoopcijfers heeft omdat er ook leveringen zonder factuur gegaan zijn.
Antwoord gehoorde:
Ja, dat klopt.
Vraag verbalisanten:
Dan kloppen de aangiften omzetbelasting van [medeverdachte 1] B.V. ook niet die door [E] worden gemaakt?
Antwoord gehoorde:
Dat klopt, in optiek van [E] doen ze wel de goede aangifte omzetbelasting. Hun stukje is goed, want ze maken de aangifte aan de hand van de gegevens die wij aanleveren. Het geldt natuurlijk ook voor de inkoop, die klopt ook niet. Ik krijg altijd op vrijdag de afleverbonnen van [F] , met [F] bedoel ik [A] B.V. en vroeger heette dit bedrijf [F] . Ik kreeg de pakbonnen van [verdachte] of van [betrokkene 1] , in ieder geval van degene die op vrijdags de map met inkooppakbonnen leeg haalde. Aan de hand van die pakbonnen maakte ik elke week een Excel bestandje waarop dus de gewichten stonden van de lammeren en schapen die wij die week door [A] geleverd hadden gekregen. Ik deed dit in opdracht van [verdachte] en dit was een vaste werkwijze die ik al jaren zo deed.
Nadat ik de gewichten en omschrijvingen had ingevuld vroeg ik aan [verdachte] welke prijzen bij welke partij hoorden. [verdachte] gaf deze prijzen aan mij door, dit gebeurde of mondeling of hij schreef deze op de weeglijsten. Als ik de prijzen mondeling doorkreeg schreef ik ze zelf op de weeglijsten. De omschrijvingen staan ook op de weeglijsten vermeld, daar staat dan bijvoorbeeld "blauw lam" en dat geeft de kwaliteit aan, blauwe lammeren zijn van slechtere kwaliteit. [verdachte] wilde deze lijsten altijd op vrijdag hebben voordat [betrokkene 9] langs kwam. Met [betrokkene 9] bedoel ik de eigenaar van [A] .
Vraag verbalisanten:
Wie, binnen [medeverdachte 1] B.V., weten van deze Excel bestanden af?
Antwoord verbalisanten:
[verdachte] zeker, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ook. Misschien dat [betrokkene 3] ze ook wel eens heeft gezien. Deze Excel bestandjes werden voor [verdachte] gemaakt.
Vraag verbalisanten:
Wat gebeurt er met de pakbonnen en weeglijsten, horende bij leveringen van [A] ?
Antwoord gehoorde:
Ik weet dat niet. Ik geef na het maken van het Excel bestand voor die betreffende week de hele set terug aan [verdachte] . Daarna zie ik het niet meer.
Vraag verbalisanten:
Kent [verdachte] deze werkinstructie?
Antwoord gehoorde:
Ja ik denk het wel, hij weet er wel van want hij weet dat een aantal klanten geen facturen krijgen. De werkinstructie is in de loop van de tijd ontstaan omdat het anders niet meer bij te houden was wat de wensen van de klant en de chauffeur waren. Ik heb het niet verzonnen, ik heb met de lijst alleen maar willen bijhouden wat er moest gebeuren.
Vraag verbalisanten:
Is [verdachte] op de hoogte van die afspraken tussen de chauffeur en de klant?
Antwoord gehoorde:
Ja want ik hoorde soms van de chauffeurs dat ze het met [verdachte] hadden besproken. Het kwam ook voor dat [verdachte] vanuit zijn kantoortje riep dat het akkoord was dat een bepaalde klant op dat moment geen factuur zou krijgen. [verdachte] heeft ook wel eens tegen mij gezegd dat de chauffeur aangeeft wanneer er een factuur gemaakt moest worden of niet. Het kwam ook weleens voor dat er een klant op kantoor kwam en dat daarna [verdachte] tegen mij vertelde dat die klant het moeilijk had en even 1 of 2 keer geen factuur wilde of dat het factureren van bonnen in overleg ging.
Vraag verbalisanten:
Wat kunt u verklaren over [betrokkene 10] ?
Antwoord gehoorde:
[betrokkene 10] , hij krijgt zijn salaris contant. [verdachte] betaalt [betrokkene 10] zelf uit.
10. Een proces-verbaal van verhoor van [getuige] van 16 april 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , p. 1640 (V-002-02).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 16 april 2016 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [getuige] :
Vraag verbalisanten:
Wie doet de aangiften omzetbelasting ten name van ' fiscale eenheid [J] B.V., [medeverdachte 1] B.V.'?
Antwoord gehoorde:
[E] , aan de hand van de roze facturen die zij krijgen en de inkoop facturen die per bank worden betaald of in de kas zijn verwerkt. Zij werken met wat zij aangeleverd krijgen van ons.
Vraag verbalisanten:
Wie doet de aangiften loonheffing ten name van [medeverdachte 1] B.V.?
Antwoord gehoorde:
[E] . Ik krijg van [E] de bedragen van de te betalen omzetbelasting en loonheffing door, om te betalen met behulp van [verdachte] .”
De raadsman van de verdachte heeft blijkens de ter terechtzitting van 8 oktober 2024 overgelegde pleitaantekeningen in de eerste plaats aangevoerd dat de bejegening van [getuige] door de verbalisanten van de FIOD zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Die bejegening zou – kort gezegd – in strijd zijn met art. 3 en 6 EVRM. Subsidiair heeft de raadsman van de verdachte aangevoerd dat de verklaringen van [getuige] niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt, omdat de verdediging geen behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid heeft gehad. De pleitaantekeningen houden over dit laatstgenoemde standpunt het volgende in (de voetnoten heb ik weggelaten en accentueringen als in het origineel):
“64. De verdediging moet volgens de jurisprudentie van het EHRM een behoorlijke en effectieve gelegenheid hebben gekregen om de getuige te ondervragen. Hoewel de Hoge Raad geen expliciet criterium hanteert voor het vaststellen wanneer er sprake is van een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid, heeft de Hoge Raad in navolging van de zaak Vidgen wel overwogen dat de enkele mogelijkheid om vragen te stellen, zonder dat deze daadwerkelijk worden beantwoord, niet volstaat als een volwaardige ondervragingsmogelijkheid. Ofwel; het enkele ter beschikking stellen van een getuige voor ondervraging is niet voldoende voor een effectieve uitoefening van het ondervragingsrecht. Het gaat in het kader van artikel 6 EVRM niet alleen om een gelegenheid om vragen te stellen, maar vooral om de kwaliteit van de ondervragingsgelegenheid en dus de gelegenheid om ook vragen beantwoord te krijgen.
65. Hoewel deze lijn in de jurisprudentie voornamelijk betrekking heeft op de specifieke situatie waarin een getuige weigert om vragen te beantwoorden, stelt de verdediging zich op het standpunt dat in deze zaak ten aanzien van [getuige] ook geen sprake is geweest van een dergelijke behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid. Om die reden dienen haar verklaringen, zowel afgelegd bij de FIOD als bij de rechter-commissaris en de raadsheer-commissaris, te worden uitgesloten van het bewijs. In het verlengde hiervan stelt de verdediging zich op het standpunt dat cliënten dienen te worden vrijgesproken wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.
66. [getuige] , administratief medewerkster bij [medeverdachte 1] B.V., is verhoord als verdachte door de FIOD. Bij de FIOD heeft [getuige] aanvankelijk belastend verklaard ten aanzien van cliënten door te stellen dat [medeverdachte 1] B.V. vlees zwart inkocht en verkocht en dat zij hiervoor een werkinstructie hanteerde. Echter, bij de RC en RHC komt zij (deels) terug op deze verklaringen, doordat zij zich niet meer kan herinneren dat zij dit heeft verklaard bij de FIOD. Zie bijvoorbeeld haar verklaring bij de RC op 4 oktober 2017:
‘U zegt mij dat ik bij de politie een bedrag heb genoemd dat aan het eind van de maand in de kluis zou moeten liggen. Ik weet dat niet meer . U zegt mij dat ik daar een bedrag van meer dan een ton heb genoemd. Ik weet dat echt niet meer. Ik weet ook niet meer hoe ik daar bij kwam.
U vraagt mij of ik weet of er bij [verdachte] vlees zwart werd ingekocht. Ik weet dat niet. Daar deed ik niets mee. Ik kreeg de facturen die betaald moesten worden en moest die in het bank programma invoeren. Ik keek niet naar de aantallen op die facturen. U zegt mij dat ik bij de politie heb genoemd dat ik weet dat er vlees zwart wordt ingekocht bij [betrokkene 7] , [A] , [betrokkene 8] en misschien bij [B] en [H] . Ik weet dat niet want ik ging daar niet over. Ik kan me ook niet herinneren dat ik dat heb gezegd. Ik weet niet hoe het ging met [B] en [H] . Ik kreeg alleen facturen. U zegt mij dat ik heb gezegd dat ik heb gezien dat de chauffeur die de bestelling komt afleveren bij [verdachte] op kantoor geld in een envelop krijgt. Ik weet niet hoe dat ging. Ik heb ook facturen gezien misschien werd er ook contant betaald op facturen. Het is een groot gat op dit moment (...).’
67. Ook bij de raadsheer-commissaris zet [getuige] dezelfde lijn voort door op alle vragen te antwoorden dat zij zich de gebeurtenissen niet meer kan herinneren of niet meer weet hoe deze zijn verlopen. Sterker nog, zij kan zich überhaupt niks meer herinneren van haar werkzaamheden bij [medeverdachte 1] B.V.:
‘Kunt u zich nog iets herinneren van uw werkzaamheden destijds bij [medeverdachte 1] B.V.? Ik weet dat ik administratief werk deed, maar ik weet niet meer precies wat en hoe. ’
‘U vraagt mij of ik mij kan herinneren of ik mij als administratief medewerker bezig hield met de inkoop of de verkoop of allebei. Ik kan mij niet meer herinneren wat ik daar precies deed. ’
68. Bovengenoemde gang van zaken maakt dat de verdediging – ondanks het nodige initiatief te hebben genomen – geen behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid heeft gehad, waardoor niet meer kan worden gesteld dat de ‘procedure as a whole’ eerlijk is verlopen. In ECLI:NL:HR:2024:1007 hanteert de Hoge Raad voor die beoordeling de volgende factoren:
‘In gevallen waarin de rechter voor het bewijs gebruik wil maken van een door een getuige afgelegde verklaring, terwijl de verdediging – ondanks het nodige initiatief – niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om ten aanzien van die getuige het ondervragingsrecht uit te oefenen, moet de rechter nagaan of het proces als geheel eerlijk is verlopen. Hierbij zijn – met het oog op de beoordeling of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces – van belang (I) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (II) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (III) het bestaan van compenserende factoren , waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid.’
De reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend
69. Er is een aantoonbare reden waarom [getuige] zich in de latere verhoren niks meer weet te herinneren: bij [getuige] hebben zich immers door de situatie op het politiebureau, de vragen die aan haar door de FIOD zijn gesteld en het gebrek aan contact met haar naasten psychische klachten, ontwikkeld. Deze omstandigheden hebben geleid tot PTSS. Zij zegt daar zelf het volgende over bij de RC:
‘Maar als ik nu terug denk hoe het was toen ik daar werkte, dan lukt mij dat niet. Ik denk dat ik dat allemaal geblokt heb. Als ik terug denk aan toen raak ik in paniek. Ik ben aan het trillen. Ik krijg een droge keel en hartkloppingen. Als ik terug denk, dan zie ik mijn cel weer voor me en dan weet ik het niet meer. Het lukt me gewoon niet om terug te denken (...).’
70. Het onvermogen van [getuige] om de vragen van de verdediging te beantwoorden, is het directe gevolg van het trauma dat zij heeft opgelopen door de wijze van ondervraging door de FIOD. Deze ondervragingen, die gekenmerkt werden door dagenlange verhoren zonder adequate rechtsbijstand en het verbod op contact met haar naaste familieleden, waarbij haar man ernstig ziek was, hebben haar ernstig geschaad. Uit zelfbescherming heeft [getuige] een emotionele blokkade opgebouwd, waardoor zij probeert zich af te schermen van de gebeurtenissen uit het verleden. Dit heeft echter verstrekkende gevolgen gehad voor de verdediging, aangezien de getuige door deze blokkade essentiële informatie niet meer kan dan wel wil oproepen. Deze omstandigheid is in feite te vergelijken met een situatie waarin een getuige weigert vragen te beantwoorden, omdat ook hier het doel van de ondervraging – namelijk het verkrijgen van betrouwbare en controleerbare informatie – niet kan worden bereikt. De psychologische redenen achter de blokkade zijn uiteraard invoelbaar, maar dit verandert niets aan het feit dat de verdediging, op dezelfde manier wordt belemmerd in haar recht op een behoorlijke en effectieve ondervraging als wanneer een getuige weigert te antwoorden.
Het gewicht van de verklaring van de getuige voor de bewezenverklaring van het feit
71. Vervolgens moet worden vastgesteld hoe belangrijk de getuigenverklaring is voor het bewijs, of – zoals voortvloeit uit de jurisprudentie van het EHRM – in hoeverre de getuigenverklaring ‘sole or decisive’ was voor de bewezenverklaring. Dit houdt in dat – zonder dit bewijsmiddel – de kansen op een veroordeling zouden afnemen en de kansen op een vrijspraak zouden toenemen. Naarmate het gewicht van de verklaring groter is, is het – wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt – des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan.
72. In dit geval kan met zekerheid worden gesteld dat de getuigenverklaring van [getuige] van doorslaggevend belang is geweest voor de uitkomst van de zaak. In het vonnis in eerste aanleg wordt namelijk herhaaldelijk verwezen naar haar verklaring ter onderbouwing van de in beslag genomen administratie. Haar verklaring is de enige ondersteuning voor de vele in beslag genomen documenten binnen de administratie.
Het bestaan van compenserende factoren
73. De laatste vraag die beantwoord moet worden, is of de verdediging voldoende compensatie is geboden waardoor er toch van een eerlijke procedure gesproken kan worden, de zogenoemde ‘counter balancing factors’. Het gaat er bij deze vraag om of de totstandkoming en de inhoud van de verklaring van de getuige zich dermate laten controleren, dat een bewezenverklaring die in belangrijke mate op die verklaring berust, verantwoord kan worden geacht, In dit geval is dat echter niet verantwoord. Het feit dat [getuige] , door het verstrijken van tijd en haar opgelopen trauma, zich de feiten niet meer kan herinneren, is een omstandigheid die op geen enkele wijze te compenseren valt. Voldoende steunbewijs zou hiervoor een oplossing kunnen bieden, maar dat ontbreekt in dit dossier.
74. Voorts is van belang dat de Hoge Raad in HR 12 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1009 onder meer heeft overwogen: ‘dat als onevenredige tijdsverloop een complicatie vormt bij de bewijsgaring of de waardering van het bewijs, de rechter daarmee rekening kan houden en, indien de bewijsvoering anders op gespannen voet zou komen met de “fairness of the proceedings as a whole”, tot een vrijspraak kan komen.
75. Dit wordt bevestigd door een recente uitspraak van het hof Den Haag van 20 september jongstleden:
‘ Het hof concludeert dat de verdediging, na daartoe het nodige initiatief te hebben genomen, feitelijk weliswaar in de gelegenheid is gesteld om de verzochte getuigen (in dit geval verbalisanten) te horen, maar door het hiervoor omschreven (en kennelijk door een gebrek aan voortvarendheid van de zijde van de justitiële autoriteiten veroorzaakte) tijdsverloop desondanks niet daadwerkelijk een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om ten aanzien van die getuigen het ondervragingsrecht uit te oefenen, nu immers de getuigen/verbalisanten zich (naar moet worden aangenomen) vanwege het tijdsverloop weinig of niets meer konden herinneren van de doorzoeking. Dit terwijl hetgeen zij eerder hebben gerelateerd, in het bijzonder in het geval van [verbalisant 3] , van doorslaggevende betekenis is voor de beantwoording van de vraag of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat – kort gezegd – de verdachte zich (eerder al) bewust was van de aanwezigheid van het vuurwapen en de aangetroffen hennep. Het hof stelt verder vast dat er geen sprake is van factoren waardoor het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid de getuigen daarover te ondervragen kan worden gecompenseerd (...). Gelet op de uit het voorgaande voortvloeiende specifieke en uitzonderlijke feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat het (onevenredige) tijdsverloop in deze zaak een complicatie vormt bij de waardering van het bewijs en dat niet gezegd kan worden dat het proces in de onderhavige strafzaak als geheel eerlijk is verlopen. Een bewezenverklaring kan in verband daarmee niet, in overeenstemming met de eisen van een eerlijk proces, mede worden aangenomen op grond van de in het vooronderzoek door de verbalisanten opgemaakte processen-verbaal (...). Het hof zal deze processen-verbaal dan ook uitsluiten van het bewijs (...). Naar het oordeel van het hof kan dan ook niet wettig en overtuigend bewezen worden hetgeen aan de verdachte onder 2 en 3 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.’
76. Deze uitspraak is vers van de pers en laat daarmee zien dat ook het gerechtshof van Den Haag mogelijkheden ziet om een schending van het ondervragingsrecht aan te nemen in andere gevallen dan bij een weigerachtige getuige. Ondanks dat de verdediging ook in deze zaak weliswaar in de gelegenheid is gesteld om de verzochte getuige te horen, ontbreekt een daadwerkelijke behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid. Of dit nu is veroorzaakt door het tijdsverloop of door de blokkade die zij heeft opgebouwd als gevolg van haar trauma, het blijft een feit dat zij zich niets kon herinneren en daardoor geen vragen van de verdediging kon beantwoorden. Aangezien het ondervragingsrecht essentieel is voor het beoordelen van de betrouwbaarheid en juistheid van de verklaringen van [getuige] , en er geen aanvullende waarborgen of ondersteunend bewijs aanwezig is dat deze gebreken kan compenseren, is de conclusie dat de getuigenverklaringen van [getuige] niet als bewijsmiddel kunnen worden gebruikt. De verdediging verzoekt daarom om alle verklaringen van [getuige] uit te sluiten van het bewijs.”
Het hof heeft in het bestreden arrest eerst geoordeeld dat het verweer over de bejegening van [getuige] door de FIOD faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag en vervolgens beoordeeld of de verklaringen van [getuige] – in het licht van de eisen die voortvloeien uit art. 6 EVRM – voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Hoewel het middel slechts is gericht tegen de uitkomst van de laatstgenoemde beoordeling van het hof, zal ik – vanwege de onderlinge samenhang – ook de motivering van het eerstgenoemde oordeel citeren. Het arrest houdt het volgende in:
“Overschrijding van de redelijke termijn en bejegening van de [getuige]
De raadsman heeft verder aangevoerd dat de forse overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep er in het onderhavige geval toe heeft geleid dat het voor de verdediging praktisch onmogelijk is geworden om effectief onderzoek te doen naar de juistheid en volledigheid van eerdere verklaringen en bewijsstukken. Door het verstrijken van de tijd zijn de herinneringen van cruciale getuigen, zoals [getuige] , vervaagd. De waarheidsvinding is hierdoor ernstig belemmerd. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat het pressieverbod is geschonden bij het verhoren van [getuige] en dat haar bejegening door de verbalisanten van de Fiod in strijd is met de artikelen 3 en 6 EVRM. [getuige] is grotendeels buiten aanwezigheid van haar advocaat gehoord. Later heeft [getuige] verklaard dat bij haar PTSS is vastgesteld omdat zij was opgepakt en zonder contact met haar zoon en zieke man in een cel heeft gezeten.
[getuige] , destijds werkzaam als administratief medewerkster bij [medeverdachte 1] , is op 15, 16, 17 en 28 april 2016 als verdachte gehoord door de Fiod. Op 4 oktober 2017 en 4 april 2018 is [getuige] op het verzoek van (onder andere) de raadsman van verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] als getuige gehoord bij de rechter-commissaris en op 28 februari 2023 bij de raadsheer-commissaris. De rechtbank heeft de verklaringen van [getuige] tot het bewijs gebezigd.
Bij de rechter-commissaris heeft [getuige] onder andere verklaard dat hetgeen zij bij de politie (het hof begrijpt: Fiod) heeft verklaard, klopt. Zij verklaarde tevens dat zij wat zij wist eerlijk heeft verteld. Als getuige gehoord bij de raadsheer-commissaris heeft zij verklaard dat zij zich niet meer echt kan herinneren wat zij bij de Fiod heeft verklaard maar dat zij wel weet dat zij de waarheid heeft verklaard, want zij vertelt altijd de waarheid en kan zich niet voorstellen dat zij dat toen niet heeft gedaan. Over de wijze waarop de verhoren bij de Fiod zijn verlopen en hoe zij dat heeft ervaren verklaart zij desgevraagd bij de rechter-commissaris onder andere dat er een advocaat aan haar was toegewezen en dat die advocaat de eerste dag bij het verhoor heeft gezeten. Hij heeft tegen haar gezegd; ‘werk maar mee en geef maar gewoon antwoord’. Na een aantal uren is de advocaat weggegaan omdat hij een andere afspraak had. Zij heeft op die dag geen momenten gehad dat zij wilde overleggen met een advocaat. Zij heeft na alle verhoren haar verklaringen doorgelezen en daarna ondertekend, aldus [getuige] . Op de vraag van de verdediging of zij nog iets kwijt wil over de bejegening door de Fiod antwoordt zij ‘nee’.
[getuige] verklaart niet dat de wijze van verhoor van invloed is geweest op haar antwoorden. Zij verklaart ook niet dat zij door de Fiod onder druk is gezet en/of door de situatie van het verhoor in strijd met de waarheid heeft verklaard.
Nog los van de vraag in hoeverre een schending van het pressieverbod dan wel de artikelen 3 en 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) jegens [getuige] een rechtsgevolg zou moeten hebben in de zaken tegen de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] , is het hof gelet op bovenstaande, van oordeel dat niet is gebleken van schending van het pressieverbod en/of van de artikelen 3 en 6 EVRM.
Het verweer ten aanzien van de bejegening van [getuige] faalt derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag. Dit geldt ook voor het verweer van de raadsman dat de waarheidsvinding door de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep is belemmerd. [getuige] is immers al voor aanvang van de procedure in hoger beroep - tweemaal gehoord bij de rechter-commissaris.
[…]
Overwegingen omtrent het bewijs
Bewijsuitsluitingsverweer
De raadsman heeft ten aanzien van de verklaringen van [getuige] subsidiair bepleit dat deze verklaringen van het bewijs moeten worden uitgesloten. Daartoe heeft hij – kort gezegd – aangevoerd dat de bejegening van [getuige] door de Fiod bij haar verhoor in strijd was met het pressieverbod en artikel 3 en artikel 6 EVRM en dat het ondervragingsrecht is geschonden.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat dit verweer moet worden afgewezen omdat van enige ongeoorloofde druk tijdens de verhoren niet is gebleken.
Oordeel van het hof
Zoals hierboven ten aanzien van het niet-ontvankelijkheidsverweer is overwogen, is het hof van oordeel dat niet gebleken is van schending van het pressieverbod en/of van de artikelen 3 en 6 EVRM. Voor zover de raadsman heeft betoogd dat het ondervragingsrecht is geschonden, waardoor de verklaringen van het bewijs moeten worden uitgesloten, is het volgende van belang.
[getuige] is zowel bij de rechter-commissaris als bij de raadsheer-commissaris in aanwezigheid van de verdediging gehoord. De verdediging is hierbij in de gelegenheid gesteld haar te bevragen. De getuige heeft meerdere vragen van de rechter-commissaris dan wel raadsheer-commissaris en de verdediging beantwoord. Op een deel van de vragen is zij het antwoord schuldig gebleven. Volgens haar verklaring omdat zij het niet meer weet. Het hof is van oordeel dat de verdediging hierdoor weliswaar deels maar niet volledig gebruik heeft kunnen maken van een behoorlijk en effectief ondervragingsrecht. Het hof dient bij die stand van zaken na te gaan of bij het gebruik van de verklaringen van [getuige] voor de bewijsvoering het proces als geheel, eerlijk is verlopen. Hierbij zijn van belang a) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend, b) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijk onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit en c) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Deze beoordelingsfactoren dienen in onderling verband te worden beschouwd.
Over a) de reden dat het ondervragingsrecht niet kon worden uitgeoefend is hiervoor al vastgesteld dat in het onderhavige geval geen sprake is van de absolute onmogelijkheid het ondervragingsrecht uit te oefenen maar van een beperking van de uitoefening van het ondervragingsrecht doordat de getuige het antwoord op meerdere vragen niet meer weet. De situatie is hierdoor niet gelijk te stellen met die waarbij een getuige in zijn geheel niet bevraagd kon worden. Dit neemt het hof mee in de verdere beoordeling van de vraag naar de “overall fairness”.
Ten aanzien van b) het gewicht van de verklaringen van [getuige] stelt het hof vast dat [getuige] belastend heeft verklaard. Zij verklaart onder meer dat bij [medeverdachte 1] vlees zwart wordt ingekocht en verkocht. De eigenaar van de supermarkten [C] en [D] is de grootste zwarte afnemer. Hij wil een factuur voor een gedeelte van de lammeren en voor het magere vlees, voor de rest wil hij geen factuur, aldus [getuige] . Zij verklaart verder dat er voorheen bij [C] en [D] een factuur kwam voor alle lammeren en mager vlees maar dat de eigenaar van [C] en [D] dit te veel vond en dat er sinds die [D] , ongeveer een jaar, nog maar de helft van de geleverde lammeren en mager vlees wordt gefactureerd. Verder verklaart zij dat ze instructies heeft om voor bepaalde klanten geen factuur op te maken, die instructies staan in haar computer en er is ook een uitdraai van te vinden in een la van het bureau van [betrokkene 2] ( [betrokkene 2] ) of in het bakje naast haar bureau. [getuige] is daarmee een belangrijke getuige.
Deze verklaringen van [getuige] vinden echter ruimschoots bevestiging in het dossier. Zo is bevestiging gevonden in de door de Fiod bij [medeverdachte 1] aangetroffen werkinstructie. Deze is aangetroffen op het bureau van [betrokkene 2] , waarop ten aanzien van afnemers ‘ [C] apart’ en ‘ [C] [D] apart’ is opgenomen: ‘het gewicht door 2 delen’ en ‘alleen lam en mager’. [betrokkene 2] , gehoord als verdachte, heeft over de werkinstructie verklaard dat [betrokkene 11] haar dat zo heeft uitgelegd en dat zij dat heeft opgeschreven voor als [betrokkene 11] er een keer niet is. Ook [betrokkene 2] bevestigt hiermee een belangrijk aspect van de verklaring van [getuige] .
Uit het proces-verbaal van de Fiod blijkt dat in elk geval vanaf 2010 in de verkoopadministratie van [medeverdachte 1] ten aanzien van [C] en [D] alleen de goederen lam en mager zijn opgenomen. Uit een afgeluisterd telefoongesprek tussen [verdachte] en [betrokkene 12] , eigenaar van [C] en [D] , op 13 januari 2016 blijkt verder dat [betrokkene 12] op die dag naast lam en mager ook schaap, stierborst, achtermuis en contra(fon) bestelt. Op de afleverbonnen van die week staan alle bestelde producten vermeld terwijl op de bijbehorende factuur alleen de producten lam en mager staan. Ook daarin kan bevestiging worden gevonden van hetgeen [getuige] heeft verklaard.
Op grond van bovenstaande zijn de verklaringen van [getuige] niet aan te merken als ‘sole or decisive’.
Ten aanzien van de vraag c) of er voldoende compenserende factoren bestaan voor de, in het onderhavige geval, beperkte ondervragingsmogelijkheden van de verdediging is mede van belang dat ter terechtzitting in hoger beroep op verzoek van de verdediging meerdere getuigen zijn gehoord, waaronder [betrokkene 12] .
Al het voorgaande in onderlinge samenhang bezien, mede in het licht van de vaststelling dat het in het onderhavige geval niet gaat om een getuige die niet bevraagd kon worden door de verdediging maar om een beperking ten aanzien van het ondervragingsrecht omdat de getuige dingen niet meer weet, komt het hof tot het oordeel dat het proces als geheel eerlijk is verlopen.
Het verweer tot uitsluiting van de verklaringen van [getuige] van het bewijs faalt.”
In HR 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:220 heeft de Hoge Raad het juridisch kader ten aanzien van het ondervragingsrecht zoals dat voortvloeit uit art. 6 EVRM als volgt samengevat:
“2.3.1. In gevallen waarin de rechter voor het bewijs gebruik wil maken van een door een getuige afgelegde verklaring, terwijl de verdediging – ondanks het nodige initiatief – niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om ten aanzien van die getuige het ondervragingsrecht uit te oefenen, moet de rechter nagaan of het proces als geheel eerlijk is verlopen. Hierbij zijn – met het oog op de beoordeling of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces – van belang (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. (Vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rechtsoverweging 2.12.2.)
Voor de beoordeling of wordt voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, is het gewicht van de verklaring van de betreffende getuige in de bewijsconstructie een belangrijke beoordelingsfactor. Dat doet er echter niet aan af dat ook de aanwezigheid van een goede reden voor het niet kunnen ondervragen van de getuige en het bestaan van compenserende factoren in die beoordeling moeten worden betrokken, waarbij al deze beoordelingsfactoren in onderling verband moeten worden beschouwd. Naarmate het gewicht van de verklaring van de getuige groter is, is het – wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt – des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan. (Vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rechtsoverwegingen 2.12.2 en 2.12.3, en HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1418, rechtsoverweging 2.4.2.)
Bij dit onderzoek naar het bestaan van voldoende compenserende factoren – waaronder ook procedurele waarborgen – voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid, gaat het er in de kern om dat de rechter de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige zorgvuldig onderzoekt, in samenhang met het overige bewijsmateriaal en in het licht van de betwisting door de verdachte van die verklaring. Het gaat daarbij om voldoende compenserende factoren voor de door de verdediging ondervonden beperkingen bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige, waarmee ook de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing wordt gewaarborgd. Van belang daarbij kunnen zijn verklaringen van personen tegenover wie de getuige – kort na de gebeurtenissen waar het om gaat – zijn of haar verhaal heeft gedaan of die anderszins feiten en omstandigheden waarop de getuigenverklaring ziet, kunnen bevestigen. Het kan onder omstandigheden ook gaan om verklaringen van deskundigen die de totstandkoming en de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige dan wel de persoon van die getuige aan een onderzoek hebben onderworpen. Verder kan compensatie betrekking hebben op procedurele waarborgen zoals de beschikbaarheid van een audiovisuele vastlegging van het verhoor van de getuige of het ondervragen van de zojuist genoemde personen of deskundigen. In dit verband kan ook van belang zijn dat de verdediging wel een beperkte mogelijkheid heeft gehad om vragen te (doen) stellen aan de getuige (Vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rechtsoverweging 2.12.2).”
In de onderhavige zaak heeft het hof bij de beoordeling van de verklaringen van [getuige] tot uitgangspunt genomen dat [getuige] in het vooronderzoek bij de FIOD belastende verklaringen afgelegd, nadien zowel bij de rechter-commissaris als bij de raadsheer-commissaris is gehoord in het bijzijn van de verdediging, waarbij de verdediging ook de mogelijkheid heeft gehad om vragen aan de getuige te stellen, maar daarbij op een deel van de vragen het antwoord schuldig is gebleven, omdat zij het volgens haar verklaring niet meer weet. Op grond hiervan heeft het hof geoordeeld dat de verdediging “weliswaar deels maar niet volledig gebruik heeft kunnen maken van een behoorlijk en effectief ondervragingsrecht.”
Terzijde zou de vraag kunnen worden opgeworpen of dit oordeel van het hof wel in lijn is met de door de Hoge Raad aangehangen interpretatie van art. 6 EVRM op dit punt. In zijn arrest van 6 juni 2017 overwoog de Hoge Raad:
“3.4.2. De enkele omstandigheid dat een getuige de aan hem gestelde vragen niet (volledig) beantwoordt omdat hij - al dan niet vanwege tijdsverloop - onvoldoende concrete herinneringen heeft aan wat hij met betrekking tot wat aan de verdachte is tenlastegelegd, heeft waargenomen of ondervonden, brengt niet mee dat een effectieve en behoorlijke ondervragingsmogelijkheid heeft ontbroken (vgl. HR 19 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:679, NJ 2016/471). Die omstandigheid kan wel relevant zijn bij de selectie en waardering van het bewijsmateriaal en daarop gerichte verweren, in het bijzonder ten aanzien van de eerder in het vooronderzoek afgelegde verklaring(en).
In de - van het onder 3.4.2 genoemde geval te onderscheiden - situatie dat de getuige zich van het geven van een getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen verschoont en de getuige dientengevolge weigert antwoord te geven op de vragen die de verdediging hem stelt of doet stellen, ontbreekt wel een behoorlijke en effectieve mogelijkheid tot ondervraging (vgl. HR 29 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5539, NJ 2013/145).”
In een geval als het onderhavige, waarin de getuige heeft verklaard dat hij of zij het antwoord op vragen van de verdediging niet meer weet, zou deze rechtspraak dus meebrengen dat de verdediging hier wel degelijk een effectieve en behoorlijke mogelijkheid tot ondervraging heeft gehad. De toepassing van het hiervoor onder 4.5 geciteerde kader door het hof – waarover in cassatie wordt geklaagd – had in dat geval achterwege kunnen blijven. Voorts zouden dan de tegen die toepassing gerichte klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
Nu hierover in cassatie verder (uit de aard der zaak) geen punt van wordt gemaakt en ik mij op zichzelf – anders dan de Hoge Raad in zijn arrest uit 2017 overweegt – kan voorstellen dat een effectieve en behoorlijke ondervragingsmogelijkheid onder omstandigheden kan komen te ontbreken als een getuige (nog) onvoldoende concrete herinneringen heeft aan wat hij met betrekking tot het tenlastegelegde heeft waargenomen of ondervonden, zal ik – doorredenerend op het oordeel van het hof dat de verdediging niet volledig gebruik heeft kunnen maken van een behoorlijk en effectief ondervragingsrecht – toch deze cassatieklacht bespreken.
Voor zover de steller van het middel in dit verband klaagt dat het hof bij de vraag of sprake was van de in de jurisprudentie bedoelde ‘goede reden’ niet in zijn afweging heeft betrokken dat – zoals in hoger beroep door de verdediging is aangevoerd – de getuige niet kon worden ondervraagd omdat zij door toedoen van opsporingsambtenaren heeft verklaard het allemaal niet meer te weten, faalt het middel. Het hof heeft immers in het deel van de hiervoor onder 4.4 geciteerde overwegingen over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie uitgelegd waarom dit standpunt van de verdediging over de bejegening van [getuige] faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.
Voor de vraag of het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM in de weg staat aan het gebruik van de verklaringen van [getuige] voor het bewijs komt het vervolgens aan op een weging van (i) het gewicht van de verklaringen van deze getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit en (ii) de vraag of voldoende compenserende factoren hebben bestaan voor de door de verdediging ondervonden beperkingen bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige] .
Het hof heeft geoordeeld dat [getuige] een belangrijke getuige is, maar dat haar verklaringen niet als “sole or decisive” kunnen worden aangemerkt, nu de verklaringen van [getuige] “ruimschoots bevestiging [vinden] in het dossier”. In dat verband wijst het hof in zijn overwegingen zowel op objectief als subjectief bewijs dat de verklaringen van [getuige] ondersteunt. Zo vinden de verklaringen van [getuige] bijvoorbeeld steun in de aangetroffen werkinstructie waaruit – in lijn met haar verklaring – blijkt dat de supermarkten [C] en [D] slechts de helft van de geleverde lammeren en mager vlees kregen gefactureerd. Daarnaast vindt het bestaan van die werkinstructie steun in de voor het bewijs gebruikte verklaring van getuige [betrokkene 2] . Ook wijst het hof nog op de verkoopadministratie vanaf 2010 waarin voor die supermarkten alleen “lam en mager” zijn opgenomen, terwijl uit een afgeluisterd telefoongesprek tussen de verdachte en [betrokkene 12] (de eigenaar van de supermarkten) blijkt dat ook andere producten zijn besteld. Tegen de achtergrond van het feit dat het er in de kern om gaat dat de rechter de betrouwbaarheid van de verklaring(en) van de (deels) niet ondervraagde getuige zorgvuldig onderzoekt, een en ander in samenhang met het overige bewijsmateriaal en in het licht van de betwisting door de verdachte van die verklaring, is het oordeel over het gewicht van de verklaringen van [getuige] mijns inziens niet onbegrijpelijk.
Het hof heeft wat mij betreft voorts kunnen oordelen dat het horen van meerdere getuigen, waaronder voornoemde [betrokkene 12] , ter terechtzitting in hoger beroep op verzoek van de verdediging (enige) compensatie heeft geboden voor de beperking van de ondervragingsmogelijkheid van [getuige] . Hiermee heeft het hof niet onbegrijpelijk tot uitdrukking gebracht dat de verdediging aan andere getuigen vragen heeft kunnen stellen over de werkwijze waarover [getuige] heeft verklaard, zodat de verdediging op die manier ook de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige] heeft kunnen onderzoeken.
Het oordeel van het hof dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces is mijns inziens dan ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
Het middel faalt.
5 Het derde middel
Het derde middel houdt in dat het hof de bewezenverklaring heeft doen steunen op een bewijsmiddel dat innerlijk tegenstrijdig is met andere bewijsmiddelen.
Het gaat de steller van het middel om de volgende bewijsmiddelen:
“13. Een proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 3] van 15 april 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , p. 1749 (G-002-01).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 15 april 2016 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 3] :
In principe werk ik elke dag.
Normaal gesproken hoor ik 10 uur per week te werken. Voor dat aantal uren sta ik op de loonlijst. Ik werk weleens meer dan 10 uur per week. Gemiddeld werk ik 2 uur per dag. Ik krijg € 440,-- per maand. Ik krijg een vast loon gebaseerd op 40 uur per maand.
14. Een proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 3] van 15 april 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , p. 1757 (G-003-01).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 15 april 2016 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 10] :
[betrokkene 3] , zijn werkzaamheden zijn administratie/ bonnetjes schrijven, vlees snijden. [betrokkene 3] werkte al bij [verdachte] voordat ik er kwam werken. [betrokkene 3] werkt 5 dagen per week, zo'n 30 a 40 uur per week.”
Deze verklaringen hebben betrekking op het onder 1 bewezenverklaarde onjuist en/of onvolledig doen van aangiften voor de loonheffing. Daarover heeft het hof in zijn arrest het volgende overwogen:
“Loonheffing
Uit observaties met camera’s, gericht op de toegangsdeuren van [medeverdachte 1] in de periode 12 november 2015 tot en met 22 december 2015 is gebleken dat er personen werkzaam waren die niet op de aangiften loonheffing staan van november en december 2015. Verder bleek uit de observaties dat vijf personeelsleden in deze periode meer uren hebben gewerkt dan op de aangiften loonheffingen staat vermeld. Zo is voor [betrokkene 10] , van wie is waargenomen dat hij in de periode 12 november tot en met 30 november 105 uren bij [medeverdachte 1] aanwezig was, in de aangifte loonheffing over de hele maand november 16 uren vermeld. Voor [betrokkene 13] , van wie is waargenomen dat hij in november 75 uren bij [medeverdachte 1] aanwezig was, zijn geen uren in de aangifte loonheffing over de gehele maand november vermeld. Over de periode waarin in december 2015 is geobserveerd, is voor [betrokkene 3] gezien dat hij 110 uren aanwezig was terwijl hij volgens de aangifte loonheffing in de gehele maand december 46 uren zou hebben gewerkt. Voor [betrokkene 10] , van wie is waargenomen dat hij in de geobserveerde periode in december 168 uren aanwezig was, zijn 20 uren in de aangifte loonheffing over december 2015 opgenomen. Voor 8 personen ( [betrokkene 14] is niet meegerekend) zijn in november in totaal 341 uren te weinig uren aangegeven en voor december 556 uren.
De verdediging heeft aangevoerd dat geen sprake was van zwart werken en dat werknemers andere redenen hadden om aanwezig te zijn bij [medeverdachte 1] . Werknemers bleven soms langer om koffie te drinken, konden vanwege gezondheidsproblemen niet uren achter elkaar werken, bleven wel eens een half uurtje napraten of waren niet in dienst omdat ze stagiaire waren of een proefplaatsing hadden vanuit het UWV. Niet kan worden vastgesteld volgens de verdediging dat opzettelijk onjuiste en/of onvolledige aangiften loonheffing zijn gedaan.
Het hof overweegt dat [betrokkene 10] heeft verklaard dat hij meestal € 200,00 a € 250,00 per week en zo’n € 800,00 a € 900,00 per maand kreeg. In de aangiften loonheffing over november 2015 is voor hem een bedrag van € 165,62 en € 263,09 aangeven. Uit de observaties bleek dat hij op 27 opeenvolgende werkdagen 105 + 158 = 263 uur, dat is ruim 9 uur per dag op het bedrijf aanwezig was, terwijl hij per maand voor 36 uur op de loonaangifte staat.
Op basis van de verklaring van [betrokkene 10] en de observaties kan daarom reeds worden vastgesteld dat de aangiften loonheffing over de maanden november en december 2015 niet juist waren. Uit het voorgaande volgt dat het aantal gewerkte uren van een deel van de werknemers niet overeenkomt met de uren die in de maanden november en december 2015 voor hen in de loonheffing zijn opgegeven. Het hof acht daarmee bewezen dat de aangiften loonheffing ten name van [medeverdachte 1] opzettelijk onjuist en/of onvolledig zijn gedaan.”
Het middel klaagt terecht over een tegenstrijdigheid tussen bewijsmiddel 13 en 14. Uit de verklaring van [betrokkene 3] blijkt immers dat hij (ongeveer) tien uur per week werkte, terwijl uit de verklaring van [betrokkene 10] blijkt dat [betrokkene 3] “30 a 40 uur per week” werkte. De verklaring van [betrokkene 3] strookt ook niet met de hiervoor geciteerde bewijsoverweging van het hof.
De klacht leidt evenwel niet tot cassatie, nu de als bewijsmiddel 13 gebruikte verklaring van [betrokkene 3] zonder problemen uit de bewijsvoering van het hof kan worden weggedacht. Dat geldt in de eerste plaats omdat ook uit de door de FIOD uitgevoerde observatie van de toegangsdeuren van de medeverdachte rechtspersoon blijkt dat [betrokkene 3] in november en december 2015 aanzienlijk meer uren heeft gewerkt dan op de aangiften loonheffing is vermeld (zie bewijsmiddel 2) en de tweede plaats omdat ook als [betrokkene 3] in het geheel uit de bewijsvoering van het hof wordt weggedacht, nog steeds geldt dat er ten aanzien van een zevental personen (in plaats van een achttal) een aanzienlijke hoeveelheid gewerkte uren ontbreekt in de aangiften loonheffing.
Het middel leidt niet tot cassatie.
6 Het vierde middel
Het vierde middel bevat de klacht dat het hof heeft nagelaten te reageren op het uitdrukkelijk voorgedragen verweer dat de dagvaarding voor feit 4 (partieel) nietigheid moet worden verklaard vanwege een onduidelijke tenlastelegging.
Aan de verdachte is onder 4 ten laste gelegd dat:
“ [medeverdachte 1] B.V. op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 15 april 2016 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal:
haar bedrijfsadministratie,
- zijnde die bedrijfsadministratie een (samenstel van) geschrift(en), bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen – (telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of valselijk heeft doen opmaken en/of heeft vervalst en/of heeft doen vervalsen,
hebbende dat valselijk opmaken en/of vervalsen van die (bedrijfs)administratie (telkens) hierin bestaan dat [medeverdachte 1] B.V. en/of haar mededader(s) in die (bedrijfs)administratie opzettelijk een of meer na te noemen (kopieën van) valse/vervalste factu(u)r(en) en/of creditnota’s, te weten:
- (een) (inkoop)factu(u)r(en) en/of creditnota(‘s) van [F] B.V. en/of van [A] B.V. aan [medeverdachte 1] B.V. en/of
- (een) (verkoop)factu(u)r(en) en/of creditnota(‘s) van [medeverdachte 1] B.V. aan [C] B.V. en/of aan [D] en/of aan [I] en/of
- (een) ander(e) document(en) op naam van [F] B.V. en/of [A] B.V. en/of [medeverdachte 1] B.V. en/of [J] B.V. en/of [C] B.V. en/of [D] en/of [I] en/of (een) andere (rechts)perso(o)n(en),
verwerkt en/of doen verwerken,
bestaande de valshe(i)d(en) en/of vervalsing (en) hierin dat (telkens) valselijk en in strijd met de waarheid, op/in die (kopieën van) (verkoop- en/of inkoopfacturen en/of creditnota’s):
een onjuist (te weten te laag) aantal ontvangen (vlees)producten, is vermeld en/of
- een aantal ontvangen (vlees)producten niet is vermeld en/of
- een onjuist (te weten te laag) aantal geleverde (vlees)producten, is vermeld en/of
- een aantal geleverde (vlees)producten niet is vermeld en/of
- een onjuiste (te weten te lage) factuurwaarde en/of transactiewaarde is vermeld en/of
- een onjuist (te weten te laag) bedrag is gefactureerd,
zulks met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door (een) ander(en) te doen gebruiken.
tot het plegen van bovengenoemde strafbare feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven;
Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 15 april 2016 te ‘s-Gravenhage, althans in Nederland. tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal:
de (bedrijfs)administratie van [medeverdachte 1] B,V.,
- zijnde die bedrijfsadministratie een (samenstel van) geschrift(en), bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen - (telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of valselijk heeft doen opmaken en/of heeft vervalst en/of heeft doen vervalsen,
hebbende dat valselijk opmaken en/of vervalsen van die (bedrijfs)administratie (telkens) hierin bestaan dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) in die (bedrijfs)administratie opzettelijk een of meer na te noemen (kopieën van) valse/vervalste factu(u)r(en) en/of creditnota's, te weten:
- (een) (inkoop)factu(u)r(en) en/of creditnota(’s) van [F] B.V. en/of van [A] B.V. aan [medeverdachte 1] B.V. en/of
- (een) (verkoop)factu(u)r(en) en/of creditnota(’s) van [medeverdachte 1] B.V. aan [C] B.V. en/of aan [D] en/of aan [I] en/of
- (een) ander(e) document(en) op naam van [F] B.V. en/of [A] B.V. en/of [medeverdachte 1] BV. en/of [J] B.V. en/of [C] B.V. en/of [D] en/of [I] en/of (een) andere (rechts)perso(o)n(en),
althans een of meer geschrift(en),
- (een) fact(u)r(en) van [medeverdachte 1] aan [C] B.V. en/of aan [D] en/of aan [I] en/of
- (een)ander(e) document(en) op naam van [C] B.V. en/of [D] en/of [I] ;
verwerkt en/of doen verwerken.
bestaande de valshe(i)d(en) en/of vervalsing(en) hierin dat (telkens) valselijk en in strijd met de waarheid, op/in die (kopieën van) (verkoop- en/of inkoop)facturen en/of creditnota's:
- een onjuist (te weten te laag) aantal ontvangen (vlees)producten, is: vermeld en/of
- een aantal ontvangen (vlees)producten niet is vermeld en/of
- een onjuist (te weten te laag) aantal geleverde (vlees)producten, is vermeld en/of
- een aantal geleverde (vlees)producten niet is vermeld en/of
- een onjuiste (te weten te lage) factuurwaarde en/of transactiewaarde is vermeld en/of
- een onjuist (te weten te laag) bedrag is gefactureerd,
zulks met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door (een)ander(en) te doen gebruiken.”
De raadsman van de verdachte heeft blijkens zijn ter terechtzitting van 8 oktober 2024 overgelegde pleitaantekeningen onder meer het volgende aangevoerd:
“Primair: partiële nietigheid tenlastelegging t.a.v. feit 4
177. Primair meent de verdediging dat de tenlastelegging ten aanzien van feit 4 partieel nietig is. In de tenlastelegging is onvoldoende feitelijk en specifiek opgenomen om welke (inkoop)facturen, creditnota's of andere documenten het gaat die in de ogen van het Openbaar Ministerie vals zouden zijn. Dit is bezwaarlijk, mede gelet op de vele documenten die in het dossier aan de orde komen. Dit is bovendien bezwaarlijk gelet op de tenlastegelegde periode van 1 januari 2010 tot en met 15 april 2016, een periode die afwijkt van de tenlastegelegde tijdvakken waarvan het Openbaar Ministerie meent dat onjuiste aangiften omzetbelasting en loonheffing zijn ingediend. Primair verzoekt de verdediging uw Hof dan ook de tenlastelegging voor feit 4 nietig te verklaren.”
Hoewel de raadsman hier spreekt van nietigheid van de ‘tenlastelegging’, kan deze passage naar mijn idee bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een uitdrukkelijk voorgedragen verweer dat strekt tot nietigverklaring van de dagvaarding ter zake van feit 4. Op grond van art. 358 lid 3 Sv en art. 359 lid 2, eerste volzin, Sv (welke bepalingen op grond van art. 415 lid 1 Sv ook in hoger beroep van toepassing zijn) had het hof op dit verweer in zijn arrest een uitdrukkelijke en met redenen omklede beslissing moeten geven.
In eerste aanleg is namens de verdachte door dezelfde raadsman als in hoger beroep woordelijk exact hetzelfde verweer gevoerd over de nietigheid van de tenlastelegging. De rechtbank heeft de standpunten hierover als volgt samengevat en verworpen:
“4.1. Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de nietigheid van de dagvaarding onder 4 bepleit. In de tenlastelegging is onvoldoende feitelijk en specifiek opgenomen om welke beweerdelijk valse inkoop- en verkoopfacturen, creditnota’s of andere documenten het zou gaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, onder verwijzing naar een aantal arresten van de Hoge Raad (21 april 1998, NJ 1998, 782; 14 november 2000, NJ 2001, 18 en 20 maart 2001, NJ 2001, 330), geconcludeerd dat aan de verdachte, de tenlastelegging gelezen in samenhang met het procesdossier, duidelijk is waartegen hij zich dient te verdedigen, dat de dagvaarding daarom voldoende feitelijk is en voldoet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering en dat het beroep op nietigheid moet worden verworpen.
Het oordeel van de rechtbank
Aan de verdachte wordt, kort gezegd, verweten het vervalsen van de bedrijfsadministratie van [medeverdachte 1] B.V. (hierna: [verdachte] ) door daarin valse facturen en creditnota’s op te nemen. Dat verwijt wordt nader feitelijk omschreven in die zin dat verdachte valse inkoopfacturen van [F] B.V. (hierna: [F] ) en [A] B.V. (hierna: [A] ) aan [verdachte] en valse verkoopfacturen van [verdachte] aan [C] B.V. (hierna: [betrokkene 12] ), [D] (hierna: [D] ) en [I] (hierna: [I] ) in die administratie zou hebben verwerkt. Daarnaast noemt de tenlastelegging nog ‘andere documenten’ op naam van [F] , [A] , [verdachte] , [J] B.V., [betrokkene 12] , [D] en [I] die in de bedoelde administratie zouden zijn opgenomen, ‘althans een of meer geschriften’.
In het overzichtsprocesverbaal genummerd OPV-001 wordt op pagina 64 en 78 van de doorgenummerde paginering verwezen naar twee processen-verbaal met als kenmerk AMB-105 en AMB-106, waarin het onderzoek naar achtereenvolgens de beweerdelijk valse verkoopfacturen en de valse inkoopfacturen in de administratie van [verdachte] is gerelateerd. De beweerdelijk valse facturen worden voor alle duidelijkheid nog eens opgesomd in twee tabellen op pagina 75-76 en 82-83. Gelet hierop moet aan de verdachte duidelijk zijn geweest tegen welk verwijt hij zich diende te verdedigen. Hieraan kan niet afdoen dat in het dossier een groot aantal andere documenten (afleverbonnen, notitiebladen, weekoverzichten, pakbonnen en weeglijsten) wordt genoemd, nu duidelijk uit het proces-verbaal naar voren komt dat de verbalisanten die stukken juist als niet-vals beschouwen en de inhoud daarvan bezigen teneinde de valsheid van de eerder genoemde facturen aan te tonen.
Het verweer wordt verworpen.”
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd. In het bestreden arrest van het hof ontbreekt een beslissing op het in hoger beroep herhaalde verweer. Dit verzuim heeft op grond van art. 358 lid 5 Sv in beginsel nietigheid tot gevolg.
Uit meerdere arresten van de Hoge Raad blijkt evenwel dat dit verzuim niet tot cassatie hoeft te leiden, indien de rechter het verweer slechts had kunnen verwerpen omdat het niet tot nietigheid van de dagvaarding kan leiden. Naar mijn oordeel doet zich hier zo’n geval voor. De rechtbank heeft immers in eerste aanleg overwogen dat en waarom het voor de verdachte duidelijk moet zijn geweest tegen welk verwijt hij zich diende te verdedigen en dus waarom het door de verdediging gevoerde verweer over de nietigheid van de dagvaarding moet worden verworpen. Die overweging van de rechtbank geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en komt mij ook niet onbegrijpelijk voor. Nu in hoger beroep woordelijk exact hetzelfde verweer is gevoerd en door de verdediging in hoger beroep verder niets is aangevoerd over de (in mijn ogen dus onjuiste noch onbegrijpelijke) overweging van de rechtbank, meen ik dat het hof het in hoger beroep gevoerde verweer slechts kon verwerpen, omdat het voor de verdachte duidelijk moet zijn geweest tegen welk verwijt hij zich diende te verdedigen.
Het middel kan niet tot cassatie leiden.
7 Slotsom
De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG