Strafrecht overig

Gevaar op de weg veroorzaken, art. 5 WVW 1994. 1. Vallen gedragingen van verdachte onder bereik van art. 5…

Hoge Raad, 25 januari 2022

Zaakgegevens

Op 25 januari 2022 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25 januari 2022
Datum publicatie
25 januari 2022
Zaaknummer
20/03012
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:74
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Gevaar op de weg veroorzaken, art. 5 WVW 1994. 1. Vallen gedragingen van verdachte onder bereik van art. 5 WVW 1994?. 2. Verjaring?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 30 november 2021

    ECLI:NL:PHR:2021:1131
  2. Hoge Raad · 25 januari 2022deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2022:74

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/03012

Datum 25 januari 2022

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 31 augustus 2020, nummer 20-002410-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 januari 2022.