Strafrecht overig

Beklag, beslag ex art. 94 Sv op geldbedrag van € 143.350 onder klager t.z.v. verdenking van vuurwapenbezit…

Hoge Raad, 24 mei 2022

Zaakgegevens

Op 24 mei 2022 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24 mei 2022
Datum publicatie
23 mei 2022
Zaaknummer
20/02306
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:759
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beklag, beslag ex art. 94 Sv op geldbedrag van € 143.350 onder klager t.z.v. verdenking van vuurwapenbezit. 1. Schriftelijke afdoening klaagschrift zonder openbare behandeling i.v.m. COVID-19 (corona), art. 23.2 Sv. 2. Oordeel Rb dat het strafvorderlijk belang van de waarheidsvinding zich verzet tegen de opheffing van het beslag op het geldbedrag en oordeel Rb dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat strafrechter, later oordelend, verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geld zal bevelen.

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 29 maart 2022

    ECLI:NL:PHR:2022:300
  2. Hoge Raad · 24 mei 2022deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2022:759

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/02306 B

Datum 24 mei 2022

BESCHIKKING

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 7 juli 2020, nummer RK 20/739, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend

door

[klager],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,

hierna: de klager.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 mei 2022.