Strafrecht overig

Feitelijke aanranding van eerbaarheid, art. 246 Sr. 1. Bewijsklachten. Kunnen door verdachte gepleegde…

Hoge Raad, 21 juni 2022

Zaakgegevens

Op 21 juni 2022 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21 juni 2022
Datum publicatie
18 juni 2022
Zaaknummer
21/01744
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:902
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Feitelijke aanranding van eerbaarheid, art. 246 Sr. 1. Bewijsklachten. Kunnen door verdachte gepleegde handelingen worden aangemerkt als “ontuchtige handelingen” a.b.i. art. 246 Sr en heeft verdachte opzet gehad op ontuchtig karakter van zijn gedragingen? 2. Bewijsklacht. Kan bewezenverklaring van bestanddelen “dwang”, “geweld” en “andere feitelijkheid” uit bewijsvoering worden afgeleid?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 10 mei 2022

    ECLI:NL:PHR:2022:436
  2. Hoge Raad · 21 juni 2022deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2022:902

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 21/01744

Datum 21 juni 2022

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 april 2021, nummer 21-002025-20, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juni 2022.