Strafrecht overig

Veroordeling voor o.m. medeplegen bedrijfsmatige grootschalige hennepteelt (feit 1), medeplegen art. 11a OW…

Hoge Raad, 10 januari 2023

Zaakgegevens

Op 10 januari 2023 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10 januari 2023
Datum publicatie
6 januari 2023
Zaaknummer
21/01944
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2023:10
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling voor o.m. medeplegen bedrijfsmatige grootschalige hennepteelt (feit 1), medeplegen art. 11a OW (feit 3) en witwassen (feit 5). 1. Klachten over bewezenverklaring feit 3. 2. Klachten over bewezenverklaring feit 5. 3. Klachten over verbeurdverklaring inbeslaggenomen voorwerpen.

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 21/02071, 21/02051 en 21/05032.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 15 november 2022

    ECLI:NL:PHR:2022:1058
  2. Hoge Raad · 10 januari 2023deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2023:10

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 21/01944

Datum 10 januari 2023

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 april 2021, nummer 21-004072-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de opgelegde straf aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 36 maanden gevangenisstraf, waarvan 18 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze 35 maanden en 1 week, waarvan 18 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 januari 2023.