Strafrecht overig

Medeplegen uitvoer cocaïne en amfetamine in smokkelauto naar Zweden (art. 2.A Opiumwet) en deelneming aan…

Hoge Raad, 3 oktober 2023

Zaakgegevens

Op 3 oktober 2023 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
3 oktober 2023
Datum publicatie
3 oktober 2023
Zaaknummer
21/02455
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2023:1364
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplegen uitvoer cocaïne en amfetamine in smokkelauto naar Zweden (art. 2.A Opiumwet) en deelneming aan criminele organisatie (art. 11b Opiumwet). 1. Bewijsklacht medeplegen uitvoer harddrugs. 2. Verweer dat verdachte in veronderstelling verkeerde dat drugstransport hasj betrof i.p.v. harddrugs. 3. Strafmotivering (gevangenisstraf van 47 maanden). Strafmaatverweer, inhoudende verzoek rekening te houden met feit dat kinderen en partner verdachte nodig hebben.

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 21/02464, 21/02573 en 21/02579 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte n-o) en 21/02572.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 11 juni 2021

    ECLI:NL:GHAMS:2021:1780
  2. Conclusie A-G · 4 juli 2023

    ECLI:NL:PHR:2023:653
  3. Hoge Raad · 3 oktober 2023deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2023:1364

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 21/02455

Datum 3 oktober 2023

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 11 juni 2021, nummer 23-001129-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft P.D. Popescu, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 47 maanden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze 45 maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 oktober 2023.