Strafrecht overig

Mishandeling, meermalen gepleegd (art. 300.1 Sr). Vordering benadeelde partij. Heeft b.p. als rechtstreeks…

Hoge Raad, 17 oktober 2023

Zaakgegevens

Op 17 oktober 2023 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17 oktober 2023
Datum publicatie
11 oktober 2023
Zaaknummer
21/03315
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2023:1424
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Mishandeling, meermalen gepleegd (art. 300.1 Sr). Vordering benadeelde partij. Heeft b.p. als rechtstreeks gevolg van bewezenverklaard handelen van verdachte immateriële schade geleden?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 20 juli 2021

    ECLI:NL:GHAMS:2021:4479
  2. Conclusie A-G · 5 september 2023

    ECLI:NL:PHR:2023:728
  3. Hoge Raad · 17 oktober 2023deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2023:1424

    Overig

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 21/03315

Datum 17 oktober 2023

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 juli 2021, nummer 23-002466-20, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Biemond, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf van 100 uren, waarvan 50 uren voorwaardelijk, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 oktober 2023.