Strafrecht overig
Beklag, beslag ex art. 94a Sv op twee geldbedragen van € 18.000 en € 2.300 in woning van klaagster en haar…
Hoge Raad, 12 december 2023
ECLI:NL:HR:2023:1736 · Hoge Raad · 12 december 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2023-1736
Zaakgegevens
Op 12 december 2023 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 12 december 2023
- Datum publicatie
- 12 december 2023
- Zaaknummer
- 22/01497 B
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2023:1736
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beklag, beslag ex art. 94a Sv op twee geldbedragen van € 18.000 en € 2.300 in woning van klaagster en haar partner i.h.k.v. strafrechtelijk onderzoek tegen partner t.z.v. verdenking van productie van en handelen in synthetische drugs. 1. Heeft behandeling in raadkamer in het openbaar plaatsgevonden? 2. Afwijzing verzoek om moeder van klaagster als getuige te horen. Heeft Rb gehandeld in strijd met beginselen van behoorlijke procesorde door daarbij slechts te verwijzen naar omstandigheid dat sprake is van marginale toets? 3. Kon Rb oordelen dat klaagster niet buiten redelijke twijfel als eigenaresse van geldbedragen kan worden aangemerkt?
HR: art. 81.1 RO.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 31 oktober 2023
ECLI:NL:PHR:2023:969Hoge Raad · 12 december 2023deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2023:1736
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/01497 B
Datum 12 december 2023
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 15 april 2022, nummer RK 22/001626, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klaagster] ,
geboren te (volgens opgave BRP: [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de klaagster.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en S. van den Akker, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 december 2023.