Strafrecht overig

Medeplegen) gekwalificeerde diefstal (d.m.v. geweld) (art. 311.1 en 312.2 Sr) en wederspannigheid (art. 180…

Hoge Raad, 16 mei 2023

Zaakgegevens

Op 16 mei 2023 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16 mei 2023
Datum publicatie
11 mei 2023
Zaaknummer
21/04957
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2023:713
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplegen) gekwalificeerde diefstal (d.m.v. geweld) (art. 311.1 en 312.2 Sr) en wederspannigheid (art. 180 Sr). 1. Bewijsklacht wederspannigheid. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt strekkende tot vrijspraak, art. 359.2 Sv. 2. Strafmotivering (gevangenisstraf van 53 maanden). Heeft hof toereikend gemotiveerd beslist op verweer strekkende tot strafvermindering ex art. 359a Sv wegens disproportioneel geweld bij aanhouding?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 17 november 2021

    ECLI:NL:GHDHA:2021:2923
  2. Conclusie A-G · 21 maart 2023

    ECLI:NL:PHR:2023:323
  3. Hoge Raad · 16 mei 2023deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2023:713

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 21/04957

Datum 16 mei 2023

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 17 november 2021, nummer 22-000251-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, S. van den Akker en M.J. van Berlo, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering van de hoogte daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 53 maanden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze 52 maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 mei 2023.