Strafrecht overig

Diefstal van geldbedrag (€ 11.000) uit winkel in kunst, antiek en curiosa (art. 310 Sr). Bewijsklacht. HR…

Hoge Raad, 23 mei 2023

Zaakgegevens

Op 23 mei 2023 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23 mei 2023
Datum publicatie
19 mei 2023
Zaaknummer
21/03478
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2023:748
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Diefstal van geldbedrag (€ 11.000) uit winkel in kunst, antiek en curiosa (art. 310 Sr). Bewijsklacht.

HR: art. 81.1 RO. CAG merkt op dat geen sprake is van zaak waarin in hoger beroep veroordeling is gevolgd voor feit waarvan verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken, nu veroordeling in h.b. feit betreft waarvan in e.a. andere variant is bewezenverklaard (subsidiair tlgd. oplichting).

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 6 augustus 2021

    ECLI:NL:GHSHE:2021:4362
  2. Conclusie A-G · 28 maart 2023

    ECLI:NL:PHR:2023:354
  3. Hoge Raad · 23 mei 2023deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2023:748

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 21/03478

Datum 23 mei 2023

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 6 augustus 2021, nummer 20-001800-20, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, S. van den Akker en M.J. van Berlo, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van zeven weken en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 mei 2023.