Strafrecht overig

Verkrachting van vrouw in haar (van verdachte gehuurde) woning, art. 242 Sr.1. Bewijsminimum, art. 342.2 Sv…

Hoge Raad, 9 juli 2024

Zaakgegevens

Op 9 juli 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
9 juli 2024
Datum publicatie
4 juli 2024
Zaaknummer
22/03353
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:1025
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verkrachting van vrouw in haar (van verdachte gehuurde) woning, art. 242 Sr.1. Bewijsminimum, art. 342.2 Sv (unus testis). Vindt verklaring van aangeefster t.a.v. bestanddeel “dwang” voldoende steun in ander bewijsmateriaal en bestaat er reële mogelijkheid dat sprake is geweest van consensueel seksueel contact? 2. Verweer m.b.t. betrouwbaarheid van verklaringen van aangeefster.

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 6 september 2022

    ECLI:NL:GHARL:2022:7686
  2. Conclusie A-G · 14 mei 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:519
  3. Hoge Raad · 9 juli 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:1025

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/03353

Datum 9 juli 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 augustus 2022, nummer 21-001590-20, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Boksem, advocaat in Leeuwarden, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vijftien maanden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze veertien maanden en twee weken beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juli 2024.