Strafrecht overig

Medeplegen poging tot diefstal met geweld in telecomwinkel, art. 312.2.2 Sr. Uitdrukkelijk onderbouwd…

Hoge Raad, 24 september 2024

Zaakgegevens

Op 24 september 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24 september 2024
Datum publicatie
13 september 2024
Zaaknummer
22/01108
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:1217
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplegen poging tot diefstal met geweld in telecomwinkel, art. 312.2.2 Sr. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt t.a.v. alternatief scenario, art. 359.2 Sv. Heeft hof in strijd met art. 359.2 Sv verzuimd i.h.b. redenen op te geven waarom het is afgeweken van uos waarin tlgd. wordt bestreden met alternatief scenario?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 30 maart 2022

    ECLI:NL:GHAMS:2022:3941
  2. Conclusie A-G · 11 juni 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:627
  3. Hoge Raad · 24 september 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:1217

    Overig

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/01108

Datum 24 september 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 30 maart 2022, nummer 23-003606-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf en tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 22 maanden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze 21 maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 september 2024.