Strafrecht overig
Profijtontneming, w.v.v. uit verkoop cocaïne. 1. Toerekening w.v.v. aan betrokkene i.g.v. meerdere daders…
Hoge Raad, 5 november 2024
ECLI:NL:HR:2024:1262 · Hoge Raad · 5 november 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2024-1262
Zaakgegevens
Op 5 november 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 5 november 2024
- Datum publicatie
- 19 september 2024
- Zaaknummer
- 23/01486
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2024:1262
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Profijtontneming, w.v.v. uit verkoop cocaïne. 1. Toerekening w.v.v. aan betrokkene i.g.v. meerdere daders, Geerings-problematiek. Kon hof, gelet op vrijspraak betrokkene voor deelneming aan criminele organisatie, oordelen dat niet aannemelijk is dat rol van betrokkene zodanig geringer was dan die van anderen in samenwerkingsverband dat hij beperkter deel van winst kreeg? 2. Heeft hof voordeelberekening ontleend aan wettig bewijsmiddel, nu vaststelling van voordeel enkel en alleen is gebaseerd op arrest van hof in strafzaak? 3. Is hof afgeweken van ttz. in hoger beroep ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in conclusie van antwoord, inhoudende dat hof geen acht heeft geslagen op het door betrokkene concreet behaalde voordeel?
HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/01449 P, 23/01516 P (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, betrokkene n-o) en 23/01517 P (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, betrokkene n-o).
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 4 april 2023
ECLI:NL:GHAMS:2023:1044Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 3 september 2024
ECLI:NL:PHR:2024:893Hoge Raad · 5 november 2024deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2024:1262
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/01486 P
Datum 5 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 4 april 2023, nummer 23-004499-19, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de betrokkene.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft H.E. Brink, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de betrokkene heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 november 2024.