Strafrecht overig

Als leider deelnemen aan criminele organisatie met oogmerk overtreding van Wet op de Kansspelen (art. 140.4…

Hoge Raad, 8 oktober 2024

Zaakgegevens

Op 8 oktober 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
8 oktober 2024
Datum publicatie
3 oktober 2024
Zaaknummer
22/02432
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:1389
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Als leider deelnemen aan criminele organisatie met oogmerk overtreding van Wet op de Kansspelen (art. 140.4 Sr). Aanhoudingsverzoek voorafgaand aan tz. in hoger beroep door gemachtigde raadsman per e-mail gedaan en ttz. herhaald op de grond dat verdachte door medische oorzaak niet van Turkije naar Nederland kan vliegen, door hof afgewezen (mede) omdat uit medische verklaring alleen blijkt dat vliegen “inconvenient” (onhandig) is. Had hof nader onderzoek moeten doen naar strekking medische verklaring, althans gelegenheid moeten bieden tot nadere onderbouwing?

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 22/02528 P.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 25 juni 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:636
  2. Hoge Raad · 8 oktober 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:1389

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/02432

Datum 8 oktober 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 29 juni 2022, nummer 22-004132-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.C. van der Want, advocaat in Middelburg, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van tien maanden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze negen maanden en twee weken beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 oktober 2024.