Strafrecht overig

Medeplegen opzetheling van auto, art. 416.1.a Sr. Bewijsklacht. Volgt uit bewijsvoering dat verdachte in…

Hoge Raad, 22 oktober 2024

Zaakgegevens

Op 22 oktober 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22 oktober 2024
Datum publicatie
14 oktober 2024
Zaaknummer
22/04229
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:1469
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplegen opzetheling van auto, art. 416.1.a Sr. Bewijsklacht. Volgt uit bewijsvoering dat verdachte in bewezenverklaring omschreven auto heeft verworven of voorhanden heeft gehad, nu verdachte in zijn verklaring slechts spreekt over “de auto”?

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 22/04189 en 22/04243.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 10 november 2022

    ECLI:NL:GHAMS:2022:3181
  2. Conclusie A-G · 27 augustus 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:823
  3. Hoge Raad · 22 oktober 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:1469

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/04229

Datum 22 oktober 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 10 november 2022, nummer 23-002271-20, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 oktober 2024.