Strafrecht overig

Wederspannigheid met letsel tot gevolg (meermalen gepleegd), art. 181.1 jo. 180 Sr. Strafmotivering…

Hoge Raad, 22 oktober 2024

Zaakgegevens

Op 22 oktober 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22 oktober 2024
Datum publicatie
18 oktober 2024
Zaaknummer
22/03012
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:1497
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Wederspannigheid met letsel tot gevolg (meermalen gepleegd), art. 181.1 jo. 180 Sr. Strafmotivering (gevangenisstraf van 1 dag en taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis). Was hof ex art. 359.2 Sv gehouden te beslissen op verweer m.b.t. het door verbalisanten toegepaste geweld (discrepantie tussen gesteld letsel van verdachte en letsel van verbalisanten) en trauma dat verdachte bij eerdere aanhouding zou hebben opgelopen?

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 22/03014 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte n-o).

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 27 augustus 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:1107
  2. Hoge Raad · 22 oktober 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:1497

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/03012

Datum 22 oktober 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 9 augustus 2022, nummer 22-001744-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, advocaat in Rotterdam, en P. van Dongen, advocaat in Amsterdam bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstaf van één dag en de taakstraf van zestig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 oktober 2024.