Strafrecht overig

Doodslag (art. 287 Sr) en wegmaken van lijk (art. 151 Sr) door 22-jarige vrouw, die bij verdachte en zijn…

Hoge Raad, 22 oktober 2024

Zaakgegevens

Op 22 oktober 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22 oktober 2024
Datum publicatie
22 oktober 2024
Zaaknummer
23/03615
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:1524
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Doodslag (art. 287 Sr) en wegmaken van lijk (art. 151 Sr) door 22-jarige vrouw, die bij verdachte en zijn gezin inwoont en zwanger van hem is, meerdere keren met mes te steken en vervolgens haar lichaam te begraven en gedurende periode van bijna 4 en half jaar verborgen te houden. 1. Bewijsklacht wegmaken van lijk t.a.v. oogmerk om oorzaak van overlijden te verhullen. 2. Strafmotivering (gevangenisstraf van 15 jaren). Kon hof overwegen dat bekentenis van verdachte geen matigende werking op straf zou moeten hebben?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 11 september 2023

    ECLI:NL:GHAMS:2023:2075
  2. Conclusie A-G · 17 september 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:842
  3. Hoge Raad · 22 oktober 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:1524

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/03615

Datum 22 oktober 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 11 september 2023, nummer 23-001785-22, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G. Spong, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 oktober 2024.