Strafrecht overig

Medeplichtigheid aan medeplegen gijzeling door zijn woning ter beschikking te stellen (art. 282a.1 Sr)…

Hoge Raad, 19 november 2024

Zaakgegevens

Op 19 november 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19 november 2024
Datum publicatie
13 november 2024
Zaaknummer
22/01892
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:1655
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplichtigheid aan medeplegen gijzeling door zijn woning ter beschikking te stellen (art. 282a.1 Sr). Bewijsklachten m.b.t. medeplichtigheid. Gebruik van niet redengevende bewijsmiddelen, verweer dat woning van verdachte door medeverdachten is gebruikt om aangever vast te houden zonder dat verdachte heeft beseft wat er zich in zijn woning afspeelde, en opzet op gijzeling en daarbij behulpzaam zijn en daartoe gelegenheid verschaffen.

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 22/01912.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 13 mei 2022

    ECLI:NL:GHDHA:2022:852
  2. Conclusie A-G · 24 september 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:897
  3. Hoge Raad · 19 november 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:1655

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/01892

Datum 19 november 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 13 mei 2022, nummer 22-001306-20, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.L. L’Homme, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van tien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze negen maanden en drie weken, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 november 2024.