Strafrecht overig

Poging tot doodslag (art. 287 Sr) door een ander met mes in linkerborst, hart en linkerarm te steken…

Hoge Raad, 26 november 2024

Zaakgegevens

Op 26 november 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26 november 2024
Datum publicatie
18 november 2024
Zaaknummer
23/04082
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:1693
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Poging tot doodslag (art. 287 Sr) door een ander met mes in linkerborst, hart en linkerarm te steken. Noodweerexces, art. 41.2 Sr. Heeft hof de verwerping van beroep op noodweerexces toereikend gemotiveerd?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 24 september 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:760
  2. Hoge Raad · 26 november 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:1693

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/04082

Datum 26 november 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 oktober 2023, nummer 21-002396-22, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C.F. Korvinus, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 november 2024.